'Pensioen kopen kan fun worden'

De Eerste Kamer heeft onlangs de actieradius van pensioenfondsen verruimd. De verzekeraars lijken na jaren lobbyen in het defensief gedrongen. Directeur R. van der Smeede van Aegon Nederland over de slag op de markt voor “het toekomstig levensgeluk”.

DEN HAAG, 24 FEBR. De na-oorlogse babyboomers zijn aan het vergrijzen - en dat merken de pensioenverzekeraars. Hun verkopers en tussenpersonen worden de laatste maanden overspoeld door consumenten met prangende vragen over hun oudedagsvoorziening. Hoe zit het met mijn pensioen? Heb ik straks wel genoeg? De verzekeraars wrijven zich in hun handen bij die plotselinge belangstelling. “Erover praten doet verkopen”, weet directeur R. van der Smeede van Aegon Nederland, nummer twee op de markt voor particuliere pensioenvoorzieningen.

Pensioen leeft, zeker bij mensen boven de 40 jaar. “Geld voor later krijgt iets te maken met fun. Dat is een dramatisch verschil ten opzichte van tien jaar geleden. Toen verzekerden mensen zich vanuit 'de kommer en kwel-gedachte'. Als verzekeraar speelde je in op dat gevoel, bijvoorbeeld met advertenties waarin een witte beschermengel boven een huilende weduwe hangt. Dat is veranderd. De boodschap is nu dat een verzekering gewoon leuk kan zijn.”

Tegenwoordig laat Aegon in haar televisie-commercials een paard losbreken uit het span, op zoek naar de vrijheid. Die boodschap is bij de pensioenfondsen, de andere partij op de markt voor de oudedagsvoorzieningen, in het verkeerde keelgat geschoten. Zij zien daarin een vingerwijzing naar de verplichte pensioenregelingen in zo'n zestig bedrijfstakken. Aegon is een van de verzekeraars die krachtig lobbyen tegen deze verplichtstelling, omdat hun hiermee de toegang wordt ontzegd tot een markt met zo'n 250 miljard gulden belegd vermogen.

De lobby van de verzekeraars kreeg onlangs een geduchte knauw, toen de Eerste Kamer juist akkoord ging met een uitbreiding van het werkterrein van de pensioenfondsen. De fondsen mogen straks ook pensioenregelingen uitvoeren waarvoor de werkgever geen premie betaalt. Dat betekent dat de pensioenfondsen, die zijn opgericht voor collectieve regelingen, ook individuele voorzieningen mogen treffen met hun deelnemers. Precies het werkterrein waar nu de verzekeraars, onder meer dankzij de verkoop van koopsompolissen, heer en meester zijn.

Van der Smeede vindt het verruimde werkterrein van zijn concurrenten “een beetje merkwaardig”. Volgens hem verdraagt het kernbedrijf van de pensioenfondsen, het uitvoeren van uniforme regelingen, zich slecht met de noodzaak tot persoonlijke service die een individuele voorziening met zich meebrengt. “Het ene systeem verdraagt zich niet met het andere. Het is net als met de toelating van McDonalds in Moskou: dat was de inleiding van het eind van het communisme.”

De ruimere actieradius is voor de pensioenfondsen een opsteker in een markt waarop zij constant verlies aan marktaandeel incasseren. Uit cijfers van de Verzekeringskamer blijkt dat zij de laatste tien jaar consequent marktaandeel hebben veroverd op de pensioenmarkt (collectief en individueel pensioen samen). “Wij lopen weg in omzet”, bevestigt Van der Smeede. “De bedrijfstakpensioenfondsen zitten vooral in de traditionele bedrijfstakken uit de jaren vijftig en zestig. Nu ziet Nederland er economisch heel anders uit. De markt van de verzekeraars is gewoon meer gegroeid. Dan is er de gestegen welvaart. Zie het aantal miljonairs: in tien jaar verdubbeld. Dat zijn gigantische verschuivingen. Daar profiteren de verzekeraars meer van dan de bedrijfstakpensioenfondsen.”

De bedrijfstakpensioenfondsen maken zich op om een flink graantje van de verzekeringsmarkt mee te pikken. Grote fondsen als het SFB (bouw), ABP (ambtenaren) en PGGM (zorg) hebben eigen verzekeraars opgericht of opgekocht om marketing en verkoopkennis te ontwikkelen. Pensioenfondsenbeheerder PVF wil een strategische alliantie met de Rabobank (eigenaar van onder meer verzekeraar Interpolis) aangaan.

Waar staat Aegon in het verschuivende krachtenveld? “Wij praten met iedereen. Uiteindelijk zullen de schotten tussen verzekeraars en pensioenfondsen wel wegvallen, zoals zes jaar geleden ook de waterscheiding tussen banken en verzekeraars is verdwenen. De markt dwingt dat af.” Maar voordat het zover is, moeten op wettelijk gebied heel wat verschillen worden overbrugd. De pensioenfondsen zijn bijvoorbeeld vrijgesteld van vennootschapsbelasting, de verzekeraars niet. Ook het toezicht van de Verzekeringskamer op beide groepen loopt uiteen.

Terwijl op de commerciële markt al posities worden ingenomen, worstelen kabinet en parlement met de inrichting van het pensioenstelsel. Alle drie de lagen van het stelsel zijn de inzet van maatschappelijke en politieke discussies. De premieheffing voor de basislaag, de AOW, is gemaximeerd. Wat extra nodig is, zal uit de belastingen moeten komen. In de ordening van de tweede laag, het pensioen dat werknemers opbouwen bij hun werkgevers, wil het kabinet dat het pensioen niet langer gekoppeld wordt aan het laatstverdiende loon, maar aan het gemiddelde salaris. En in de derde laag, de individuele regeling, kunnen de pensioenfondsen nu onverwacht binnendringen.

Het kabinetsvoorstel om de invoering van het middelloon fiscaal te stimuleren, leidde bij werkgeversorganisaties en vakbonden tot felle protesten, wegens ongevraagde inmenging op arbeidsvoorwaardelijk gebied. Van der Smeede reageert laconieker. “Dat de overheid een rol wil spelen in die discussies was te verwachten”. Net zo voor de hand liggend is volgens de Aegon-directeur dat de verzekeraars hun uiterste best doen de besluitvorming te beïnvloeden. De verzekeringslobby geldt als uiterst effectief. “Het is niet meer dan logisch dat je het denkproces van de overheid en van de Tweede Kamer voedt. Zonder onze argumenten was de brief van Zalm en Linschoten (eerste aanzet tot liberalisering pensioenregels, red.) twee jaar geleden niet naar de Kamer gegaan.”

Het verschil in kennis tussen de kleine groep pensioen insiders, de beslissers in de politiek en de mensen in het land is enorm. “Deskundigen hebben het totale pensioenstelsel voor ogen, maar voor de gemiddelde Nederlander is het zeer fragmentarisch. Mijn kind wordt achttien. Wat gebeurt er dan? Dat zijn de vragen waar mensen mee worstelen. Eindloon of middelloon is hen worst.”