Nostalgie in anti-EMU kamp

Toen ik als vijftienjarige scholier voor het eerst met mijn vader een week naar het buitenland mocht, stond het Britse pond op 12 gulden. Als onderdeel van de reis naar Londen gingen vader en zoon naar een striptease in Soho. De mannen mochten hun natte regenjassen aanhouden en zaten achter elkaar op houten banken in een souterrain te dampen.

De bescheiden prijs: 5 shilling. Toen ik vorig jaar met onze zoon de stad bezocht, was één Brits pond nog maar 3 gulden waard, omdat Groot-Brittannië in de tussenliggende 36 jaar bijna steeds kampte met een hogere inflatie dan Nederland. De prijzen stegen en sneller en dus werd het Britse geld minder waard vergeleken met de gulden.

Het verhaal van Groot-Brittannië is ook het verhaal van Italië en Zweden: hogere inflatie, meer geldontwaarding en dus op termijn een steeds goedkopere munt. Nederland, daarentegen, heeft na 1983 een andere koers ingezet, namelijk een betrouwbare, vaste band met de Duitse mark. Wij hebben de vrijheid ingeleverd om nog naar eigen inzicht steeds meer geld te drukken en te kiezen voor een eigen, Nederlandse inflatie. In plaats daarvan volgt Nederland dermate precies de politiek van de Bundesbank in Frankfurt dat al jarenlang onze rente even laag is als in Duitsland.

De 70 economen die vorige week een oproep publiceerden tegen de monetaire unie willen dat Nederland weer de oude vrijheid terug krijgt om zelf een eigen, Nederlandse inflatie te kiezen. Omdat de 70 zich zo retorisch afzetten tegen het monetarisme, zijn zij kennelijk voorstander van een Nederlands inflatiebeleid waarbij sociale partners proberen het eens te worden over een redelijke loonstijging waarna De Nederlandsche Bank het land voorziet van de vereiste extra munten en bankbiljetten. Misschien kan de groep van 70 eens in Groot-Brittannië, Italië of Zweden informeren hoe daar de ervaringen zijn geweest met een eigen inflatiebeleid waarbij vakbonden en werkgevers de koers uitzetten en een zwakke centrale bank niet veel meer kan doen dan machteloze waarschuwingen afgeven over het inflatiegevaar.

Geen wonder dat bijvoorbeeld prof. Alfred Kleinknecht (Vrije Universiteit) het manifest heeft ondertekend. Twee jaar geleden beweerde deze econoom dat een flinke loongolf een goed recept zou zijn om het bedrijfsleven te dwingen tot extra investeringen. Nu menen hij en zijn medestanders dat een lage, stabiele inflatie en een voorzichtige, zuinige overheid op een of andere manier slecht zijn voor het milieu. Ga zo door, professor!

Afgezien van Kleinknecht c.s. met hun nostalgie naar de jaren zeventig, is overigens bijna iedereen ingenomen met de lage rente en de stabiele inflatie die het gevolg zijn van een monetaristisch beleid. Toen de Italiaanse lire in november weer werd vastgeklonken aan de Duitse mark waren bedrijfsleven en regering in Italië opgelucht. Liever een sterke lire in combinatie met een lage inflatie en een lage rente, dan een goedkope munt maar een veel hogere en onzekere rentestand. Zowel bedrijven als huiseigenaars kunnen veel makkelijker plannen en investeren wanneer de rente laag is. Die voordelen compenseren hen royaal voor het feit dat de lire vandaag een stuk duurder is dan vorig jaar.

Serieuze critici van de gemeenschappelijke munt hebben andere argumenten dan de 70 economen in de Volkskrant. Die wijzen op het risico dat in een land onverwachts bijvoorbeeld de huizenmarkt instort, de bouwsector moet inkrimpen, en de werkloosheid zo sterk oploopt dat een devaluatie van de nationale munt misschien aantrekkelijk wordt. Wij kennen in Nederland dat scenario nog uit de periode 1978-'84 toen hier de huizenprijzen zes jaar daalden met akelige gevolgen voor de bouw, de woninginrichting, en de bestedingen in de hele economie. Meer recente problemen in de huizen- en kantorenmarkt in Groot-Brittannië, Zweden en Finland hebben ook tot veel extra werkloosheid geleid en een rol gespeeld bij devaluaties in alle drie die landen.

Is eenmaal de gemeenschappelijke munt gearriveerd, dan mag een land niet meer devalueren, ook al zou dat soelaas bieden bij grote binnenlandse problemen in de huizenmarkt of elders. Hier gaat het om een reëel risico met de gemeenschappelijke munt, maar er zijn twee tegenargumenten. Ten eerste is het redelijk om te hopen dat een onafhankelijke Europese centrale bank zich zal inspannen om de inflatie laag en stabiel te houden en zo de kans op heftige fluctuaties in de woningmarkt te voorkomen. Onze Nederlandse 'krach' in de huizenmarkt volgde op een periode van hoge inflatie tijdens het kabinet-Den Uyl. Bovendien eist de markt een prijs van landen die zich het recht willen voorbehouden om na een grote, binnenlandse tegenvaller in bijvoorbeeld de huizenmarkt hun munt te devalueren. Kijk naar Groot-Brittannië, dat die monetaire vrijheid voorlopig wil handhaven. De Britse rente is op dit moment bijna de hoogste in heel Europa, hoofdzakelijk omdat de beleggers niet zeker zijn over de toekomstige koers van de hevig gepolitiseerde Bank of England.

Zo zijn er serieuze bedenkingen bij de ene munt, die meer hout snijden dan het manifest van de 70 Nederlandse economen. En het is zeker roekeloos om een zo belangrijk bouwwerk als een Europese centrale bank op te trekken wanneer er te veel onzekerheid leeft bij de Europese burgers of de nieuwe instelling duurzaam in hun belang is. Formeel is het natuurlijk zo dat alle nationale parlementen al het Verdrag van Maastricht hebben goedgekeurd, zodat geldt 'pacta sunt servenda'. Datzelfde verdrag maakt het trouwens waarschijnlijk dat de ene munt óf tot stand zal komen voor een grote groep landen, inclusief Italië en Spanje, óf dat dit gedurfde project een brug te ver is en in chaos resulteert. Bijna iedereen (behalve Griekenland) mag meedoen, óf de hele zaak gaat niet door. Die voorspelling baseer ik op artikel 109 J van het Verdrag waarin een gekwalificeerde meerderheid van de EU-lidstaten moet beslissen over deelname aan de gemeenschappelijke munt. Zo kunnen bijvoorbeeld Italië, Spanje, Portugal en Griekenland al het hele project torpederen wanneer de Noordeuropese lidstaten hun deelname aan de ene munt niet op prijs blijken te stellen. Alleen al om die reden is hoffelijkheid gepast, met name tegenover Spanje dat zich thans op bewonderenswaardige wijze prepareert voor deelname aan de gemeenschappelijke munt. Minister Zalm kan dat beter aanmoedigen dan zich er laatdunkend over uitlaten.

Als heel veel Europese burgers de mening delen van de 70 economen dat een lage rente, een lage inflatie en een conservatief begrotende overheid slecht zijn voor het milieu en voor de werkloosheid, dan ontbreekt het democratisch draagvlak voor de ene munt. Houden echter de Europese naties vast aan hun instemming met het Verdrag van Maastricht, dan zal de ene munt doorgaan en wel voor een heel grote groep deelnemende landen. Hoewel het oplopen van de Italiaanse en Spaanse rente in de laatste weken wijst op wat meer onzekerheid in de markt, blijft dat toch nog steeds het meest waarschijnlijke scenario.