Noodzaak grotere NAVO niet aangetoond

De reserves van VVD-leider Bolkestein tegen uitbreiding van de NAVO zijn helemaal niet nieuw. W.F. van Eekelen vindt dat zijn partij op dit punt zeer consequent is geweest en dat de noodzaak van uitbreiding niet is aangetoond.

De discussie binnen en buiten Nederland over de uitbreiding van de NAVO concentreert zich op twee argumenten, die niet de meest wezenlijke zijn. Het eerste stelt, dat wij de wens tot toetreding van de nieuwe democratieën niet kunnen negeren. Het tweede dat Rusland geen veto mag hebben over onze besluiten.

Veel belangrijker is de vraag of wij vinden dat uitbreiding de veiligheid en stabiliteit in Europa bevordert. Op dit moment is dat niet het geval. Er is geen veiligheidsvacuüm in Centraal-Europa; de NAVO zelf zegt dat er geen vijand, geen dreiging meer is. Bovendien heeft de NAVO al in 1991 verklaard, dat de onafhankelijkheid en het democratisch karakter van de nieuwe democratieën een “rechtstreeks en materieel” belang vertegenwoordigt van de alliantie als geheel. Dat was geen formele veiligheidsgarantie, maar kwam er dicht bij. Het was een waarschuwing aan de toen nog bestaande Sovjet-Unie geen druk uit te oefenen op haar voormalige satellieten.

Intussen heeft het NAVO-programma 'Partnerschap voor vrede' een belangrijke mogelijkheid geboden tot samenwerking op defensiegebied, voor openheid van planning en budgetten evenals voor militaire organisatie en standaardisatie. Dat geldt voor alle staten van Europa - ook voor Rusland en de vroegere neutrale landen - en beperkt zich niet tot enkele uitverkorenen. Het is beter veiligheid te scheppen door participatie en samenwerking dan door het afgeven van papieren garanties.

Het grootste probleem bij de uitbreiding is de selectiviteit. Het gaat om Polen en Tsjechië, misschien ook Hongarije en Slovenië. Tegelijk horen wij de leuze dat er geen nieuwe scheidslijnen moeten worden getrokken. Dat klinkt mooi, maar als sommige landen wel en andere niet lid van een club mogen worden, komt er altijd een scheiding. Dat geldt vooral voor de Baltische staten en Oekraïne, die misschien wel nooit zullen worden toegelaten, maar wel de meest geëxponeerde positie hebben. Onlangs hoorde ik de Letse premier zeggen, dat hij liefst zo weinig mogelijk landen in de eerste groep zag, want dan was de uitzonderingspositie van zijn land het minst evident.

Een Russisch veto is uiteraard niet aanvaardbaar, maar wij moeten wel rekening houden met de weerslag van ons eigen gedrag op het binnenlandse politieke debat aldaar. Dat zou moeten gaan over economische en politieke hervorming, maar wordt nu in de verkeerde hoek gedrukt. Russen denken altijd in termen van macht en zien in de NAVO de Amerikaanse macht oprukken naar hun westgrens. En dat op een moment dat zij te zwak zijn om er iets tegen de doen. Vandaar een Versailles-complex met een psychologisch trauma voor vernedering en isolement. Rusland heeft nergens bondgenoten meer. Onder deze omstandigheden zal van een Handvest voor de betrekkingen tussen de NAVO en Rusland niets terecht komen wanneer het beschouwd wordt als een afkoopsom voor instemming met de uitbreiding. Alleen als de NAVO zoveel concessies zou doen dat er van het oorspronkelijke doel van collectieve defensie niets meer overblijft, is Russische berusting te verwachten. Maar dan is de alliantie verworden tot een praatclub waar niemand meer iets aan heeft. Nu reeds wordt in Brussel gesproken over zelfbeperking ten aanzien van het plaatsen van troepen e.d., voornemens die mij veel te ver gaan.

Het enige argument dat hout snijdt ten gunste van uitbreiding is dat de Verenigde Staten ertoe bereid zijn en daarmee het beginsel 'een aanval op één is een aanval op allen' willen uitstrekken tot althans enkele landen van Centraal-Europa. Betwijfeld kan worden of Washington daarna het proces van uitbreiding zal willen voortzetten en steeds nieuwe verplichtingen zal willen aangaan. Op dit moment is een tweederde meerderheid in de senaat niet zeker.

Maar als de Amerikaanse president zijn prestige inzet, moet Europa dan uitbreiding tegenhouden? Uiteindelijk gaat het in Europa toch om de Amerikaanse betrokkenheid? Dat hangt er van af. Mevrouw Albright is nu al bezig om het effect van de verkiezingsuitspraak te verzachten die Poolse kiezers voorhield dat hun land in 1999 lid zou kunnen worden. Daaraan lag geen NAVO-overleg ten grondslag en de meeste Westerse politici zijn ervan geschrokken.

Voor ons zou parallelliteit met de uitbreiding van de Europese Unie de voorkeur verdienen, want die is beter in staat de stabiliteit te verzekeren dan het voorop plaatsen van de militaire dimensie. De EU heeft meer tijd nodig, maar kan een bredere bijdrage leveren aan het opbouwen van de solidariteit die nodig is om veiligheidsgaranties geloofwaardig te maken. Bovendien is het vreemd garanties te geven aan landen buiten de Unie, terwijl nieuwe lidstaten als Finland, Oostenrijk en Zweden daar (nog) geen behoefte aan hebben. De Europese en Atlantische koersen convergeren dus niet. Zal het Amerikaanse leiderschap opnieuw de doorslag geven, zoals tijdens de Koude Oorlog, toen Europa niets deed zonder initiatieven van de VS; die het eerst fel bekritiseerde, maar tenslotte accepteerde?

De VVD heeft altijd bedenkingen gehad tegen snelle uitbreiding. Bolkestein schreef al op 22 april 1995 dat uitbreiding de NAVO juist kan verzwakken. Op 3 februari 1996 stond op de opiniepagina van deze krant een artikel met dezelfde strekking als zijn bijdrage in de Volkskrant van 8 februari. Reacties bleven toen uit.

Zelf heb ik een jaar geleden mijn bedenkingen geuit in de Eerste Kamer. Minister Van Mierlo bezwoer mij toen, dat er in december spijkers met koppen zouden worden geslagen in die zin “dat er een programma zal worden opgesteld voor het toetreden van bepaalde landen”. Hij zou het ook “zeer onverstandig vinden als de NAVO schema's ging ontwerpen zonder zich iets aan te trekken van ontwikkelingen in bijvoorbeeld Rusland”. Bij de algemene politieke beschouwingen in de Eerste Kamer heeft fractievoorzitter Korthals Altes gewaarschuwd tegen een proces van afglijden naar beslissingen, die in Europa bijna niemand wenst, maar waartegen te weinig stelling wordt genomen.

In diezelfde maand, november 1996, stelde in de Tweede Kamer namens de VVD Hessing drie voorwaarden: het proces van uitbreiding moet de stabiliteit en veiligheid in Europa aantoonbaar ten goede komen en mag de relatie met Rusland niet in gevaar brengen; nieuwe partners moeten voldoen aan volwaardige toelatingseisen; alle lidstaten moeten de consequenties ten volle accepteren. Van Mierlo antwoordde: “Vermoedelijk beslist de top tot toetredingsonderhandelingen met een kleine groep landen. [...] De landen waar het in eerste instantie om gaat zijn Polen, Tsjechië, Hongarije en misschien Slovenië. De beslissing daarover wordt nu nog niet genomen, wij spreken ons daar ook niet echt over uit.”

Het kabinet heeft nog allerminst aangetoond dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. In een kattebellig briefje van 18 december, één dag voor het reces, werd gemeld, dat de NAVO-top van juli in Madrid als een van de agendapunten zou hebben “het uitnodigen van één of meer landen voor onderhandelingen over toetreding. Het streven is nieuwe leden te verwelkomen tegen de tijd dat de NAVO in 1999 zijn vijftigste verjaardag viert”. Er valt nog heel wat uit te leggen - en niet alleen over de vraag of het verstandig is een feestje te bouwen bij een selectieve uitbreiding.

In ieder geval kan niemand zeggen dat de VVD te laat was om aan de bel te trekken. De bel heeft al anderhalf jaar luid geklonken. Een veiligheidsgarantie is wel het belangrijkste dat een land kan geven.