Haags museum proeftuin voor restaurateurs

Het Haags Gemeente- museum, een van de hoogtepunten uit het werk van Berlage, wordt op dit moment voor 52 miljoen gulden verbouwd. “We doen hier archeologisch onderzoek naar zijn bouwmethoden”, zegt projectleider Jan Nies.

DEN HAAG, 24 febr. Er wordt gegraven, gesloopt, getimmerd en gemetseld. Het Haags Gemeentemuseum staat al een jaar in de steigers. Tot januari konden de bezoekers tussen de werkzaamheden door nog delen van de collectie bekijken, maar nu is het museum tot september 1998 gesloten. De kunstwerken zijn opgeslagen of uitgeleend. Zo zal een deel van de vroege schilderijen van Mondriaan vanaf 8 maart in de Kunsthal in Rotterdam te zien zijn.

De renovatie van het in 1935 geopende museum is geen gewone verbouwing. “Het is de eerste grote restauratie van een jong monument”, zegt Jan Nies, belast met de leiding van het project. “We hebben een laboratoriumfunctie. De werkzaamheden worden nauwlettend gevolgd door Monumentenzorg.”

Het Haags Gemeentemuseum is een van de hoogtepunten uit het werk van de architect H.P. Berlage (1856-1934). In 1990 werd het op de monumentenlijst geplaatst. Het toonde al jaren tekenen van verval: scheuren in de muren, lekkende daken, gebarsten ramen, slechte brandbeveiliging en ook de klimaatbeheersing liet te wensen over. Een grootschalige opknapbeurt werd onontkoombaar. In totaal zal er zo'n 52 miljoen gulden met de werkzaamheden gemoeid zijn.

Het afgelopen jaar werd al een gedeelte van de gevel gerestaureerd. Veel van de voor het museum zo kenmerkende gele bakstenen moesten worden vervangen. De nieuwe, speciaal voor het museum gebakken stenen zijn inmiddels onzichtbaar tussengevoegd. De glaskappen op het dak zijn vervangen en van een UV-werende glassoort voorzien en er ligt nieuwe leisteen op het dak. “Op een gegeven moment bestond het gebouw alleen nog maar uit een betonnen casco met afgedekte muren”, zegt Nies. “Dat zag er heel spectaculair uit.”

In de bouwkeet waar hij zijn kantoortje heeft, hangt een foto van Berlage. De architect zit geconcentreerd over het ontwerp voor het Haags Gemeentemuseum gebogen. “Tijdens de voorbereiding hebben we die oorspronkelijke tekeningen nauwkeurig bestudeerd”, vertelt Nies. “Maar het spannendste moment was toen we alles wat technisch was voorbereid, voor het eerst moesten uitvoeren. Net zoals Berlage in de jaren dertig, hebben we een proefkamer ingericht. Alles moest proefondervindelijk worden vastgesteld. Zo bleken de glaslagen in de dakkappen het licht groen te filteren en moesten we experimenteren met andere glassoorten.

“We doen hier eigenlijk een archeologisch onderzoek naar de produktiemethodes uit de tijd van Berlage. Door de opkomst van de industriële bouwproduktie in de jaren dertig, is veel kennis van het ambachtelijke bouwen verloren gegaan. Daarom kan de moderne techniek de voor het museum zo karakteristieke onvolkomenheden, zoals de kleurschakeringen in de stenen, niet meer produceren.”

Ook het interieur is aan een opknapbeurt toe. De ontmanteling van de vijf stijlkamers, ingebouwd in een van de hoeken van het museum, ziet er indrukwekkend uit. Kostbare gobelins worden van de muren gehaald of liggen opgerold te wachten op een schoonmaakbeurt. Complete panelen met goudleer of houtsnijwerk zijn al verwijderd en de wandschilderingen uit de Lodewijk XVI-kamer worden uit de muur gehaald. Wat rest is een demasqué, een houten raamwerk voor een slordig gemetselde muur.

Dan volgen de eigenlijke schoonmaak- en herstelwerkzaamheden. Ook die hebben wel iets van de bezigheden van een archeoloog. Zorgvuldig worden bijvoorbeeld de oorspronkelijke kleurlagen van de houten panelen geanalyseerd, waarna de verf laag voor laag wordt verwijderd. “Alleen de profilering wordt niet afgeschuurd”, zegt Titus Eliëns, hoofd van de afdeling kunstnijverheid, “dan is de kans op beschadiging te groot.”

“De stijlkamers in het Haags Gemeentemuseum zijn uniek in Nederland”, vertelt Eliëns. “Behalve de Goudleerkamer, waarvan de onderdelen uit verschillende huizen afkomstig zijn, zijn de andere kamers steeds in hun geheel uit één woning overgebracht. Bovendien had Berlage ze in zijn ontwerp al opgenomen. Omdat ze hoger zijn dan de museumzalen, liggen ze zo'n anderhalve meter onder de begane grond. Doordat dat van buiten niet zichtbaar is, kon Berlage het aanzicht van het ontwerp in tact houden.”

Toch zijn er in het door Jan Nies als 'technisch fantastisch' omschreven gebouw, hier en daar nog wel wat kleine verbeteringen aan te brengen. “We ontdekten tijdens de onttakeling van de stijlkamers dat er zich achter de panelen loze kruipruimtes bevonden. Die worden nu bij de depots in de kelder getrokken”, ligt Eliëns toe.

Die depots zijn door de aanleg van een kostuumgalerij onder de binnentuin tijdelijk onbruikbaar. De gemeente besloot destijds alleen het betonnen casco voor de kostuumcollectie te financieren. Inmiddels is een sponsoringsactie in gang gezet om ook de afwerking te kunnen realiseren. Waar nu nog een gigantische bouwput ligt, zullen van de zomer de eerste grassprieten al weer naar boven komen. Ondertussen fungeren enkele reeds opgeleverde museumzalen als opslagruimte. Kunstvoorwerpen in geklimatiseerde vitrines wachten op hun definitieve bestemming. In de andere zalen houden in dikke jassen gehulde suppoosten de wacht. Het gebouw zelf, dat in de museumverzameling met een inventarisnummer is opgenomen, is nu het enige kunstwerk dat zij bewaken.

    • Dana Linssen