De bijzondere positie van Joris

Maar eerst nog de positie van Joris. Die is heel bijzonder. De minister van Defensie leek de afgelopen periode alleen nog op papier de leiding te hebben van het departement. Zijn gezag was door het drama-Srebrenica zo aangetast dat hij nog onlangs, na de zoveelste aanval op zijn positie, publiekelijk moest verklaren dat zijn gezag in het geheel niet is aangetast. Hoort u mij allemaal: mijn positie is niet aangetast, zo klonk het door Den Haag.

Hoeveel steun geniet Voorhoeve van zijn partij? Niet al te veel. Nog maar een paar weken geleden kon het gebeuren dat Voorhoeve bij het vragenuurtje in de Tweede Kamer onder vuur lag van de buitenlandspecialist van het CDA, Jaap de Hoop Scheffer. Deze gaf een salvo aan kritiek richting minister en de VVD-fractie deed er vanuit de Kamerbankjes, onder aanvoering van Bolkestein, het zwijgen toe. Direct daarop onderhield de fractieleider van GroenLinks, Paul Rosenmöller, de meestal kordate minister van Verkeer en Waterstaat Annemarie Jorritsma over haar standpunt inzake een tweede nationale luchthaven en zie, Frits Bolkestein sprong uit zijn bankje om haar in bescherming te nemen.

De ironie wil dat Voorhoeve met zijn NAVO-standpunt kan schuilen onder de paraplu van weloverwogen kabinetsbeleid. Anders dan in het Srebrenica-dossier is hij hier niet de gevangene van het noodlot: hier dringen de grote mogendheden hem niets op, hier volgt hij met de Nederlandse regering juist de grote mogendheden. Bovendien is de buitenlandse- en veiligheidspolitiek zijn fort; zowel bij het wetenschappelijk bureau van de VVD als bij het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael, waarvan hij beide directeur was, publiceerde hij gezaghebbende studies over de Oost-Westbetrekkingen. Het zal hem er in een dialoog met Bolkestein niet soepeler op maken.