Zwaarden, ketels en haken; De Keltische cultuur van de Germani cisrhenani

De grens tussen Kelten en Germanen is onduidelijk, zeker in de Lage Landen. En waarom vernielden de Kelten in Ierland een fraaie maar nutteloze pronkweg?

Als slot van de manifestatie 'De Kelten komen' zal op 28 februari in De Brakke Grond te Amsterdam een symposium worden gehouden, waar voor het eerst verslag zal worden uitgebracht over recente vondsten van Kessel/Lith en Beringen.

IN DE voor-Romeinse tijd werd een reusachtig gebied in Europa, van Ierland tot de Zwarte Zee, bewoond door stammen met een gemeenschappelijke cultuur: de Kelten - de Keltoi uit oud-Griekse overleveringen. Dit volk blonk uit in kunst en nijverheid: mijnbouw, (goud-)smeedkunst, handel en dichtkunst. Maar ze waren ook gevreesde strijders, die Delphi (279 v.Chr.) en zelfs Rome (390 v.Chr.) hebben geplunderd. Misschien mede daardoor zijn ze het door Grieken en Romeinen meest beschreven 'ongeciviliseerde' volk uit de Oudheid: verguisd als barbaren, maar bewonderd als 'edele wilden'.

Op het eerste gezicht lijkt hun bewogen geschiedenis bekend. Ze verschijnen in de 8ste eeuw v.Chr. uit de achtergrond van de urnveldencultuur. Onderzoekers onderscheiden grofweg drie ontwikkelingsfases. In de Vroeg-Europese IJzertijd (700 tot 400 v.Chr., de 'Hallstattcultuur') genoten de Keltische heersers een uit handel en productie bijeengebrachte enorme rijkdom. Ze woonden in vorstelijke burchten en vierden er bruisende feesten, waarop gastvriendschap aan bezoekers werd verleend, prachtige geschenken werden uitgewisseld en barden de heldendaden van koningen en strijders bezongen. Op die feesten werd tevens, onder andere door de grootte van de uitgereikte stukken varkensvlees, iedere krijger zijn plaats op de maatschappelijke ladder gewezen. Daaraan gingen vaak bloedige gevechten vooraf, want de gemoederen raakten op zo'n feest al gauw oververhit door de ontembare drift en de beruchte drankzucht van de Kelten.

Een groot gedeelte van deze sprookjesachtige rijkdom verdween uit de circulatie als grafgiften aan overleden vorsten. Daarbij kwam nog overbevolking. Aan het eind van de 5de eeuw v.Chr. (bij het begin van de zogenaamde La Tène-cultuur) stortten de oude maatschappelijke structuren ineen en grote massa's Kelten moesten naar Italië, Griekenland en Anatolië uitwijken, waar ze op de autochtone bevolking botsten. In de 2de eeuw v.Chr. luwt de expansie. De Kelten krijgen een volgens de Romeinen 'geciviliseerdere' urbane leefwijze. Ze versmelten langzaam met Romeinen of Germanen. En hier stoten we op de grenzen van onze kennis en komen de onbeantwoorde vragen op.

Het fundamentele probleem, zegt archeoloog Nico Roymans van het Instituut voor Pre- en Protohistorie aan de Universiteit van Amsterdam, is de vraag: Wat zijn Kelten en wat Germanen? En dan vooral in onze contreien. “Neem nu de onlangs ontdekte tempel van Empel. Die ligt op het territorium van de Eburonen, die Caesar expliciet tot Germani cisrhenani uitroept. Maar hun cultuur blijkt nu sterk Keltisch te zijn, net als overgeleverde koningsnamen: Ambiorix of Catuvolcus. Op die manier spreken de schriftelijke en de archeologische bronnen elkaar veelvuldig tegen.” Of de Batavieren. Ze gelden alom als Germanen, een deel van de Chatti, die zich vanuit Hessen tussen 50 en 30 v.Chr. in ons land vestigden. Maar veel Bataafse voorwerpen uit die periode behoren tot de Keltische cultuur. Roymans: “Caesar was zeker goed geïnformeerd, maar je vraagt je wel eens af of hij misschien door middel van zijn classificatie: 'dit hier zijn Galliërs en die nòg wilderen daar zijn Germanen', een waardeoordeel wilde geven.”

“Je moet je niet vastbijten in benamingen”, vindt prof. Doris Edel, als hoogleraar Keltisch in Utrecht de 'opperkeltologe' van Nederland. “Misschien zou een bewoner van Limburg in de eerste eeuw bij de vraag 'Ben jij een Kelt?' net zo raar kijken als iemand van ons aan wie gevraagd wordt: 'Ben jij een Europeaan?'. En ook Germaanse leiders hadden Keltische namen.” Het was een kwestie van mode, zegt zij. De Galaten (de Kelten aan de Zwarte Zee) hadden veelal Griekse namen. De beroemde Germaanse zieneres Veleda, over wie Tacitus spreekt, draagt een Keltische naam (vergelijk Welsh gweled: 'zien').

De keltologie wemelt ook volgens Doris Edel van de onbeantwoorde vragen: “In Midden-Ierland is bijvoorbeeld in de buurt van Longford een raadselachtige pronkweg gevonden, van nergens naar nergens. Op ongeveer 25 kilometer afstand ligt Cruachan, de zetel van de koning van Conacht, en aan de andere kant komt Usnach: belangrijke heilige plaatsen, die in het verlengde van die weg liggen. Hij is gemaakt van 200-300 grote eikenbomen en twee keer zoveel berken. Door de jaarringmethode is hij exact gedateerd op 148 v.Chr. Hij is drie meter breed, genoeg voor wagens, maar wagensporen ontbreken geheel zoals überhaupt elke aanwijzing van gebruik. Wel zijn er sporen gevonden van moedwillige beschadiging van die weg. We weten dat voorwerpen ritueel kapotgemaakt of beschadigd werden, voordat ze aan de goden werden geofferd, maar wat is hier de context? Het is maar één voorbeeld uit tientallen onverklaarbare vondsten.”

De weinige keltologen die er zijn, hebben zich meestal vastgebeten in hun eigen gebiedjes. A graaft alleen maar en B leest alleen maar teksten. Maar het tij is aan het keren, zegt Roymans. Er wordt gezocht naar een meer holistische benadering die beter geschikt is voor het onderzoek van vroegere maatschappijen. Door deze nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen wordt ook de betekenis veel beter belicht van een recent ontdekte belangrijke supraregionale cultusplaats vlakbij Kessel/Lith, waar in Romeinse tijd Maas en Waal samenkwamen. Misschien is deze cultusplaats zelfs belangrijker dan die van Empel, want in de kosmologie van de toenmalige samenlevingen werden rivieren met bovennatuurlijke krachten geassocieerd. De plaats waar er twee samenkwamen, was van erg groot belang. Bij Kessel zijn niet zomaar enkele voorwerpen opgegraven, er is sprake van een ritueel complex. Roymans vergelijkt het met het Zwitserse La Tène, dat zijn naam heeft gegeven aan een geheel Keltisch tijdperk. Gevonden zijn tot nu toe 20 (fragmenten van) zwaarden, 10 bronzen ketels, 20 fraaie bronzen gordelhaken, honderden (fragmenten van) mantelspelden, ijzeren bijlen, tientallen Keltische munten.

Er zijn ook macaberder vondsten: Honderden botten van mannelijke volwassenen, sommige met extra zware verwondingen. Mensenoffers? Zowel Edel als Roymans vindt dat de oude gruwelverhalen over mensenoffers bij de Kelten gerelativeerd moeten worden. Waarschijnlijk gaat het om gesneuvelde vijanden die samen met de oorlogsbuit aan de godheid werden geofferd. Ook de gevonden zwaarden zijn ritueel beschadigd: verbogen. Evenals de Keltische helm, de enige die in Nederland gevonden is. Dit rituele vondstcomplex illustreert voortreffelijk het verschil tussen de streken langs de Rijn - waar de Romeinen hun hulptroepen zoals de Batavieren recruteerden, waardoor krijgshaftigheid een hoge status bleef behouden - en Noord-Frankrijk, waar de pax Romana in deze tijd al tot een vèrgaande demilitarisering had geleid. Daar ontbreken zulke militare vondstcomplexen.