Zuid-Afrika; De coach van de Springbokken is uitgekafferd

JOHANNESBURG, 22 FEBR. “Dis kaffers man, dis die fucking kaffers”, siste André Markgraaff, de coach van het Zuidafrikaanse nationale rugbyteam, de Springbokken, vorig jaar oktober, zonder te weten dat er een opnameapparaat aanstond.

Het ging over de steun van de zwarten ('kaffers') aan een Markgraaff onwelgevallige speler. De afrigter ging daarna nog even door met een tirade tegen alles wat niet-blank was. Deze week kwam de opname in de openbaarheid en dat leidde tot een grote sport-politieke rel. Markgraaff had met zijn opmerkingen het aloude beeld van de rugby-sport bevestigd: een bolwerk van rechtse Afrikaners, een van de laatste blanke 'oases' in de door hen verafschuwde multiculturele woestijn. 'Kaffer' - of 'kaffir' zoals de Afrikaners schrijven - is een volkomen 'fout' woord in de regenboogsamenleving Zuid-Afrika. Het is de meest denigrerende benaming voor zwarte mensen en werd ten tijde van de apartheid door blanken veel gebezigd. Toen de beroemdste 'kaffir' van Zuid-Afrika, Nelson Mandela, begin jaren vijftig voor het eerst werd gearresteerd - er zouden nog vele aanhoudingen volgen - sprak een blanke politieman de gedenkwaardige woorden: “Kaffir, jy sal kak vandag”, zoals opgetekend in Mandela's autobiografie.

Na de opheffing van de apartheid in 1991 en de verkiezingszege van Mandela's ANC in 1994, gaf de natie zich over aan een algehele kuising van de taal. Hoewel het scheldwoord 'kaffir' in de volksmond nog wel wordt gebezigd, spreekt de pers subtiel over het 'k-woord'. Ambtsdragers, in wat voor discipline ook, kunnen het zich niet meer veroorloven het in de mond te nemen. Markgraaff heeft dat geweten.

Zuid-Afrika, van oudsher een van de sterkste rugby-landen, behaalde in 1995 onder Kitch Christie in een thuiswedstrijd de wereldbeker. Mandela deed op dat moment zijn best de traditionele sport van de Afrikaners (ook wel door kleurlingen beoefend, maar weinig door zwarten) uit het verdomhoekje te halen door zich te ontpoppen als grote fan van het vijftiental Springbokken (veertien blanken, een kleurling). De president trok bij de uitreiking van de cup het mosgroene nationale rugby-tricot aan en torste de beker samen met de trotse aanvoerder, Fran¢ois Pienaar.

Markgraaff trad in maart 1996 aan als bondscoach. Hij kon het niet vinden met de aanvoerder, die een kaffir-boetie (een vriend van de zwarten) zou zijn. Markgraaff vond Pienaar niet langer goed genoeg, zo zei hij, en zette hem in oktober uit de selectie. De gelouterde rugbyer was hierover zo gedesillusioneerd dat hij zijn carrière voortzette in Engeland. Niemand minder dan Mandela zwaaide vanuit zijn Tuynhuys in Kaapstad François Pienaar en zijn gezin uit. De president zei het vertrek van de rugbyer te betreuren en verzocht hem na zijn sportieve loopbaan terug te keren naar Zuid-Afrika om “in dienst van het land” te treden. Pienaar zei zich zeer vereerd te voelen.

Het was in die dagen dat Markgraaff zijn bewuste uitval tegen de 'kaffirs' deed. Zijn opmerkingen sloegen op Pienaar en op Mlukeli George, een van de weinige zwarte leden van de Zuidafrikaanse Rugbybond (SARVU). De tirade van Markgraaff duurde maar enkele minuten, hij gaf lucht aan zijn gevoelens in een gesprek met André Bester, een speler van de club Griekwa. Markgraaff was naast nationaal coach ook bestuurslid van deze vereniging. Bester ambieerde het trainerschap van Griekwa, vertrouwde Markgraaff niet op zijn woord en legde daarom het gesprek op band vast. André Bester kreeg de baan niet en heeft, zo denken velen, wraak willen nemen op Markgraaff door het bandje in de openbaarheid te brengen.

Hoe dat ook zij, de racistische uitspraken van Markgraaff zijn aantoonbaar, hij erkende deze week ruiterlijk schuld en boog diep het hoofd. “Ik heb geen enkel excuus. Ik was op dat moment (van de uitspraken) erg emotioneel. Ik verontschuldig mij ten opzichte van alle zwarte mensen in dit land en ten opzichte van de blanken voor alle plaatsvervangende schaamte”, aldus Markgraaff, in het bijzonder tot president Mandela, Mluleki George en de minister van Sport, Steve Tshwete.

Markgraaff is weg, maar daarmee is de kou voor de rugbyers nog niet uit de lucht. Gebleken is dat de rugby-bond en haar voorzitter, de multimiljonair Louis Luyt, al sinds vorig jaar november van het bestaan van de tape op de hoogte waren en geen stappen hebben ondernomen. Voor minister Tshwete, voormalig politiek gevangene op het Robben Eiland, was daarmee de maat vol. Hij verdacht de rugbybond al langer van discriminatie, tegen zwarten en kleurlingen, en gelastte een onderzoek. Dat was tegen het zere been van Luyt, die het ANC een koekje van eigen deeg bakte met zijn opmerking dat in 'oude tijden' de regering de sportbonden controleerde. Dat zou in het 'nieuwe Zuid-Afrika' toch afgelopen zijn, riep hij retorisch.

De kleurlingen in de SARVU ondersteunen Tshwete. Brian van Rooyen, kleurling en ex-bestuurslid van de rugbybond, kondigde aan dat “mensen van kleur” zich van de bond willen afscheiden.

De raciale tegenstellingen werden nog verscherpt toen een groot deel van de huidige selectie van de Springbokken zich opstelde achter de al afgetreden Markgraaff en de bond vroegen de beslissing terug te draaien. Immers, zo erg waren zijn uitspraken ook weer niet. De behoudende krant The Citizen - sappig detail: in de jaren zeventig gesticht door Louis Luyt - schreef in een commentaar: “Dat is erg onverstandig van ze. De spelers realiseren zich niet hoezeer Markgraaff zwarten maar ook blanken heeft beledigd.”