Vechtjas of boer

N. Roymans, red.: From the Sword to the Plough. Amsterdam University Press. Amsterdam 1996. 260 blz. ISBN 90 5356 237 0

ZO HALVERWEGE DE eerste eeuw v.Chr. kwam Julius Caesar de Alpen over, hij zag en overwon. En, niet te vergeten, hij decimeerde grote delen van stammensamenlevingen die hij op zijn weg vond. Nadat Caesar in 44 v.Chr. zelf was vermoord volgden nog wat strubbelingen in Gallië, maar weldra werd de Romeinse macht in Noordwest-Europa stevig gevestigd. Verbindingswegen werden aangelegd, er verrezen steden en garnizoensvestingen, het platteland werd gekoloniseerd door villae en er verschenen heiligdommen geheel naar Romeinse snit. Er kwamen producten als terra sigillata, wijn en olijfolie en muntgeld. Barbaren werden beschaafde Romeinse burgers.

Deze vèrgaande omslag was (en is) goed in de archeologische overblijfselen uit de periode waarneembaar. Mede door de grote mate van uniformiteit binnen vondstcategorieën kon in de archeologie de gedachte postvatten dat de Romeinen het proces van romanisering hadden aangepakt door als een culturele wals over de veroverde gebieden te trekken. Maar in de opeenstapeling van archeologisch onderzoek blijkt steeds duidelijker dat van dit beeld niet veel klopt. Er hebben wel degelijk regionale verschillen bestaan in de mate en wijze waarin inheemse groepen Romeins materieel en immaterieel cultuurgoed in hun eigen leven inpasten.

Het verklaren van die verschillen is een ander verhaal. Dan moet het perspectief worden omgekeerd en de omgang met het Romeinse aanbod worden begrepen uit de inheemse samenleving zelf. De sleutel daarvoor is bestudering van de 'ideologie' van zo'n samenleving, aldus Nico Roymans. Hij is de schrijver van de grootste bijdrage aan From the sword to the plough en tegelijkertijd de eindredacteur van het geheel. Roymans demonstreert de werking van het omgedraaide perspectief in twee gebieden onder Romeins gezag: Noord-Gallië (Noordoost-Frankrijk, Centraal-België en delen van het Duitse Rijnland) en de Rijnland-provincies (Zuid-Nederland, Noord- en West-België en het Duitse Nederrijngebied). Vóór de komst van Caesar werd in beide gebieden het leven in de stammen gedicteerd door een krijgerideologie. Sociaal aanzien en positie, de indeling van de verschillende levensfasen, alles was gerelateerd aan de mate van heldhaftigheid betoond in de dienstbaarheid aan het stamhoofd. Het bezit van vee en het verdedigen en kapen daarvan, speelden hierbij een belangrijke rol. Maar terwijl Noord-Gallië vrij snel en intensief geromaniseerd raakte, verliep dat in de Rijnland-provincies veel langzamer en minder diep. Hoe kon dat verschil ontstaan?

Volgens Roymans doordat de krijgerideologie in Noord-Gallië haar rol als bindmiddel voor de samenleving kwijtraakte. Verdediging van territoriumgrenzen was niet langer noodzakelijk, het Romeinse gezag stond geen raids op (het vee van) buurstammen toe en recrutering van manschappen voor de grensverdediging van het imperium of voor andere militaire aangelegenheden vond nauwelijks plaats. Het ideologische 'gat' werd opgevuld door de Romeinse pastorale, agrarische ideologie. Het accent van activiteiten kwam op akkerbouw te liggen. In de Rijnland-provincies daarentegen werd de territorium-verdediging juist uitvergroot naar de verdediging van de imperiumgrenzen. Voor dat doel werden in deze streken massaal troepen gelicht. Zeker tot de Bataafse Opstand van 69-70 n.Chr. zou daarom in deze contreien de oorspronkelijke krijgerideologie standhouden, zelfs nog versterkt raken. En dat remde tot aan die tijd de diepte van de romanisering.

Roymans baseerde zijn reconstructie van de veranderingen in beide gebieden voor een belangrijk deel op verschillen in de frequentie van rituele deponeringen van wapentuig. Een martiale daad bij uitstek. Hij betrok echter ook zaken als aanpassingen van huisplattegronden bij zijn redenering. En verschillen in de verering van goden in beide gebieden. De Noordgallische Remi bijvoorbeeld voegden braaf Mars toe aan de naam van hun god Camulus toen deze oorlogsgod onder keizer Augustus werd opgewaardeerd. Maar de Bataven in de Rijnland-provincies hielden vast aan hun Magusanus als evenknie van Hercules en schutspatroon van mannelijke agressiviteit en van het vee.

Naast Roymans' studie zijn in From the sword to the plough bijdragen opgenomen van Colin Haselgrove en van Alain Vanderhoeven. De eerste gaat over de Romeinse invloed op de landelijke nederzettingen en de samenleving in het zuidelijke deel van Picardië, de tweede over de vroege verstedelijking in Noord-Gallië. Beide vormen een verdieping van het toegankelijke verhaal van Roymans, dat in vlot Engels werd geschreven. Het boek, de eerste van de Amsterdam Archaeological Studies, is mooi uitgegeven en doet uitzien naar een volgende aflevering van de serie.