Twijfel over succes van de Wereldraad

Bijna vijftig jaar geleden werd in Amsterdam de Wereldraad van Kerken opgericht. Vele jaren lang dreef de raad op het voortstuwende enthousiasme van tal van kerken die hoopten en verwachtten dat de oecumenische beweging tot een grotere, misschien wel echte eenheid onder de verdeelde christenheid zou leiden.

Maar na vijfentwintig jaar vroeg de eerste secretarisgeneraal van de Wereldraad, de Nederlander dr. W.A. Visser 't Hooft, zich al af of de oecumenische beweging die eerst zo succesvol had geleken, nog wel toekomst had.

Kan men, zo schreef hij in 1973, nog volhouden dat de oecumenische beweging een nieuwe weg wijst? Was de Wereldraad niet al te veel een instituut geworden en vastgelopen in institutionalistische verstarring, aldus Visser 't Hooft, een van zijn grondleggers.

Weer bijna een kwart eeuw later bestaat de Wereldraad van Kerken die destijds in Genève werd gevestigd, nog steeds. Maar binnen de Nederlandse kerken die de raad vroeger zo enthousiast droegen, wordt er vrijwel niets meer over gehoord.

Wat is er gebeurd? Wordt de Wereldraad, zoals in Genève gewoonlijk wordt verondersteld, op een gemene manier door de media doodgezwegen of is het een uit zijn krachten gegroeide organisatie die de afgelopen jaren een flink deel van zijn medewerkers heeft moeten ontslaan omdat de kosten de pan zijn uitgerezen. Erger nog: de Wereldraad heeft bij veel kerken heel wat van zijn geloofwaardigheid verloren. Niet doordat de raad niet actief zou zijn geweest, maar vooral doordat na de Val van de Berlijnse Muur in 1989 wel heel erg duidelijk werd dat de Wereldraad bij zijn sociaal-politieke activiteiten dikwijls nogal eenzijdig was bezig geweest. Entameerde de raad enerzijds op een bewonderenswaardige manier de strijd tegen het Zuid-Afrikaanse racisme in de vorm van zijn Programm to combat racism, anderzijds hield hij zich vrijwel doof voor berichten over geloofsvervolging en kerkelijke onderdrukking in Oost-Europa. Pas na de Wende werd duidelijk waarvoor veel critici van de Wereldraad al geruime tijd hadden gewaarschuwd: dat Genève zich in het algemeen te weinig openlijk had durven uitspreken over misstanden in het Oostblok.

Pijnlijk genoeg voor veel Nederlandse Genève-sympathisanten, onder wie ook een groot deel van de christelijke media zoals de IKON en het dagblad Trouw, kregen de tegenstanders van de Wereldraad uiteindelijk vrijwel gelijk. En toch zijn er nog steeds mensen die - niet helemaal ten onrechte - over de oecumenische beweging spreken in de zin van een succes-story. Zo iemand is dr. Günther Gaszmann, een Duitse lutherse theoloog die van 1983 tot 1994 directeur was van de commissie Geloof en Kerkorde van de Wereldraad, de afdeling die zich vooral bezighoudt met oecumenische theologie en met de bevordering van christelijke eenheid. Woensdag was Gaszmann te gast bij het Instituut voor missiologie en oecumenica in Utrecht en vertelde hij hoe hij in de meer dan tien jaar die hij in Centre Ecumenique in Genève heeft doorgebracht, de oecumene heeft ervaren.

Het succes van de oecumenische beweging is tegelijkertijd haar probleem. Dit succes is volgens Gaszmann geen fictie, maar pure historische werkelijkheid. Positief is volgens hem dat zich radicale verbeteringen hebben voorgedaan in de onderlinge betrekkingen tussen veel kerken, dat er in de jaren '80 interkerkelijke overeenstemming over doop en avondmaal is bereikt en dat er nog steeds confessionele families zijn die een eind maken aan hun onderlinge, vaak eeuwenoude tegenstellingen zoals die tussen Anglicanen en Lutheranen.

Toch ziet de toekomst van de internationale oecumenische beweging er volgens deze oud-Wereldraad-medewerker, donker uit. Vooral omdat in Genève geen konzeptuelle Klarheit meer bestaat en er bij de Wereldraad met zijn 326 lidkerken uit 116 landen geen duidelijke ideeën en idealen meer zijn te vinden.

Met die wetenschap gaat de Wereldraad zijn vijftigjarig jubileum tegemoet dat volgend jaar in Zimbabwe zal worden gevierd.