Toevallig zelfmoord

Kan publiciteit over kinderdodingen een imitatie-effect oproepen? Bij suïcide is het een bekend sociologisch topic, maar het effect blijkt nauwelijks te bewijzen.

IS DE tragische reeks van kinderdodingen van de afgelopen weken mede in de hand gewerkt door de publiciteit in de media? Door sommige deskundigen wordt als vaststaand aangenomen dat berichten in de pers over dit type gebeurtenissen vervolgincidenten kunnen uitlokken. Men beroept zich daarbij veelal op onderzoek naar het imitatie-effect dat krantenberichten over zelfdodingsgevallen zouden uitlokkken.

Het bestaan van dit effect is het eerst geclaimd door de Amerikaanse socioloog David L. Phillips, die het het 'Werther-effect' noemde, naar de nasleep die Goethe's beroemde roman in 1774 zou hebben gehad. Phillips liet in 1974 zien dat 33 berichten van zelfdoding op de voorpagina van de New York Times in 26 gevallen in de maand daaropvolgend een hoger zelfdodingscijfer te zien gaven dan verwacht, en slechts in zeven gevallen een lager cijfer dan verwacht.

In doorsnee was het effect 2,5 procent; de stijging zou het meest spectaculair zijn geweest na de zelfdoding van Marilyn Monroe in november 1962, toen liefst 12 procent stijging zou zijn waargenomen. Phillips' ontdekking berustte op een analyse van maandelijkse zelfdodingscijfers. Hij maakte een vergelijking tussen het werkelijk opgetreden cijfer en de statistische verwachting voor de maand waarin de publicatie was verschenen. Hij verkreeg dit verwachte cijfer uit het gemiddelde van het cijfer uit dezelfde maand een jaar eerder en dezelfde maand een jaar later. Deze formule heeft de verdienste dat zij in beginsel de verstorende invloed van langjarige trends, seizoensfluctuaties en karakteristieke maandniveaus uitschakelt.

Het vinden van zo'n samenhang is op zichzelf nog niet voldoende om te besluiten dat de publicaties tot imitatie-zelfdodingen leiden. Er kan een achterliggende oorzaak zijn, die de samenhang teweeg brengt. Suïcidecijfers variëren nogal van maand tot maand om allerlei - deels onopgehelderde - redenen, en het zou kunnen zijn dat de gepubliceerde suïcides onderdeel uitmaken van een en dezelfde golf. Phillips kon echter aannemelijk maken dat de landelijke suïcidecijfers omhoog gingen ná de publicatie en niet daarvoor. Ook liet hij zien dat het effect van een suïcidepublicatie groter was naarmate het bericht meer aan het begin van de maand uitkwam, en dat het effect van berichten gepubliceerd aan het eind van de maand juist in het zelfdodingscijfer van de volgende maand naar buiten kwam.

Maar ook bij gebleken samenhang tussen publicaties en suïcidestatistiek behoeft er nog niet sprake te zijn van een imitatie-effect. Statistieken zijn niet altijd objectief en worden door mensen gemaakt. Phillips vroeg zich met name af of het zo zou kunnen zijn dat het verschijnen van zelfdodingsberichten lijkschouwers en artsen op andere ideeën brengt over wat als suïcide moet worden geclassificeerd en wat niet. Het onderzoek naar deze concurrerende verklaring leidde tot heel verrassende bevindingen. Als de alternatieve verklaring juist is, moet op een zelfdodingspublicatie een daling van concurrerende doodsoorzaken volgen, en het ligt daarbij voor de hand om aan ongevallen te denken. Het bleek evenwel dat auto-ongevallen na een suïcidepublicatie stegen, en dit bleek zelfs het geval bij vliegtuigongelukken. Nog sterker was de bevinding dat er een verband was tussen de aard van het suïcidebericht en de aard van het ongeval: 'moord-zelfmoord'-verhalen lokken ongelukken met meerdere slachtoffers uit, eenzame zelfdodingen gaan samen met individuele ongelukken. Zo meende Phillips een aanwijzing te hebben gevonden dat ten minste een gedeelte van ongevallen feitelijk als zelfdodingen beschouwd zouden moeten worden. In de jaren tachtig concludeerde Phillips dat soortgelijke effecten optreden na suïcideverhalen op televisie.

Phillips' onderzoek is niet onweersproken gebleven. Heranalyses van zijn gegevens en nieuwe gegevens brachten aan het licht dat het Werther-effect niet altijd wordt gevonden, en waarschijnlijk beperkt is tot suïcides van beroemdheden die als positief rolmodel kunnen gelden. Maar een andere aannemelijke hypothese bleek dat vooral gepubliceerde suïcides als resultaat van huwelijksmoeilijkheden navolging krijgen. Dit stemt overeen met het bekende gegeven dat suïcide onder gescheiden personen veel vaker (namelijk 3 à 4 keer) voorkomt dan onder gehuwden.

Zijn deze resultaten nog op te vatten als een verdere uitwerking van Phillips' hypothesen, erger werd het toen in 1985 de aan Stanford University verbonden methodoloog Baron de gegevens opnieuw analyseerde en liet zien dat je ongeveer dezelfde resultaten kreeg als je ze koppelde aan de suïcidegegevens van een jaar eerder! Dat zette de gevolgde methodologie behoorlijk op losse schroeven en wierp ook een ander licht op de samenhang met auto- en vliegtuigongelukken. De zwakte van Phillips' methodologie zit erin dat je maar weinig informatie gebruikt om tot een verwacht zelfmoordcijfer te komen. Ook noodzaakt ze tot een aantal arbitraire keuzen, met name als er meerdere publicaties in een maand zijn, of wanneer er ook publicaties in de controlemaanden zijn. Baron en anderen lieten ook zien dat Phillips hier en daar selectief met de gegevens was omgegaan, door af en toe met een datum te schuiven. Daarmee is de hypothese overigens niet dood.

In recenter onderzoek maakt men gebruik van krachtiger statistische tijdreeksmodellen om verwachte suïcidecijfers op te stellen en dan komt het Werther-effect soms toch wel naar boven. Het belangrijkst daarbij is dat het onderzoek is over gedaan in andere landen, door onderzoekers die onafhankelijk van Phillips opereren. In de afgelopen jaren zijn in de vakpers artikelen verschenen die aannemelijk maken dat het Werther-effect optreedt in Japan, Australië en Duitsland. Effecten op suïcide die als ongevallen verscholen zijn, worden daarbij overigens niet gerapporteerd.

Onderzoek naar zelfdoding als imitatie van krantenberichten is ook in Nederland gedaan en in 1989 door mij samen met A.P. Köpping en P.G. Swanborn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Psychologie. Er werd daartoe een inventarisatie gemaakt van zelfdodingsberichten op de voorpagina's van de Volkskrant, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad in de periode 1955-1984.

Tot onze verrassing vonden we een rijke verzameling van zulke berichten, meer dan 500 in totaal, met in ruim 350 gevallen een dodelijke afloop. Dat waren er veel meer dan Phillips op 20 jaar voorpagina's van de New York Times had gevonden, en daarmee hadden we een krachtiger onderzoeksopzet tot onze beschikking. De berichten werden door ons geclassificeerd naar een groot aantal kenmerken, zoals de aard van de zelfdoding (belangrijke categorieën waren: moord-zelfmoord, familiedrama's en politieke zelfmoorden), de lengte en opmaak van het bericht, de aanwezigheid van foto's, de sensationaliteit van de kop, leeftijd, geslacht en bekendheid (vaak beruchtheid) van het slachtoffer, en zo wat meer. We vulden onze gegevens nog aan met 93 rouwadvertenties die we aantroffen in de Volkskrant, waarin zelfdoding als doodsoorzaak werd aangeduid. Al deze gegevens werden gecombineerd met maandelijkse zelfdodingscijfers van het CBS en voor elf jaren (1974-1984) met dagelijkse zelfdodingscijfers, die voor nog meer precisie kunnen zorgen.

Het resultaat van ons onderzoek was over de gehele linie negatief. Hoe we ook zochten naar een verband tussen het verschijnen van een bericht en de aard daarvan en de frequentie van zelfdodingen in de dagen of weken daarop volgend, het was niet te vinden. Ook als we de berichten beperkten tot beroemdheden, tot de meest sensationeel opgemaakte, of de gevallen waarover het meest gepubliceerd werd (meerdere kranten, meerdere dagen), elk spoor van een imitatiegolf in Nederland ontbrak. Ook de gevolgde methodologie, Phillips' formule of tijdreeksanalyse, maakte niets uit.

Wanneer men zo hard zoekt naar een verband tussen verschillende kenmerken van berichten en fluctuaties in de zelfdodingsstatistieken, zijn er natuurlijk altijd toevalstreffers bij. Maakt men 100 verschillende selecties van berichten, dan vindt men in 5 gevallen een 'significant' resultaat. Ook wij vonden hier en daar wel een significante correlatie. Met name leek het er op dat lange berichten enigszins een effect leken te hebben. Onze meest 'onvoorzichtige' schatting bleef dat het effect op het maandelijkse Nederlandse suïcidecijfer op zijn hoogst een half procent was. Gegeven dat er ongeveer 100 zelfdodingen per maand plaatsvinden in Nederland, gaat het dan om minder dan 1 geval per keer. Maar bij zo veel andere voor de hand liggende kenmerken die geen effect hadden, is het zinvoller te besluiten dat het Werther-effect althans in Nederland in feite niet merkbaar is.

Waar kan dan het verschil tussen de resultaten in Nederland en die van Phillips vandaan komen? Er zijn allerlei verklaringen denkbaar, variërend van onvolkomenheden in onze onderzoeksmethodologie, de invloed van toevalstreffers, verschil in de aard van de gepubliceerde suïcides of de mate waarin krantenberichten in de New York Times dan wel de drie Nederlandse dagbladen, de bevolking bereiken. Maar hoe men het ook wendt of keert, tot het tegendeel is aangetoond, wijst het beschikbare bewijsmateriaal erop dat het met het imitatie-effect bij suïcidepublicaties in Nederland zo'n vaart niet loopt.

Zegt dit nu dat de publiciteit onschuldig is aan de recente reeks van kinderdodingen die recent naar buiten is gekomen? Daarover valt naar mijn mening zelfs met nader onderzoek weinig zinnigs te zeggen. Een moeilijkheid blijft dat men op basis van enige gevallen nooit kan besluiten tot een systematisch optredend effect. Een korte opeenvolging van zeldzame gebeurtenissen wijst niet zonder meer op publiciteitseffecten. Toevalspatronen kunnen wel eens zo uitvallen en er wordt al gauw iets achter gezocht, dat bij systematisch onderzoek niet terug te vinden is. Een goed voorbeeld is de vaak (ook hierboven) aangehaalde suïcidegolf na het verscheiden van Marilyn Monroe, door Phillips gekwanticeerd op 197,5 slachtoffers. Uit dezelfde tabel blijkt echter dat er grote variabiliteit is in het effect, en wel naar beide kanten. Zo was het Amerikaanse suïcidecijfer nadat de Canadese ambassadeur Norman in april 1957 de hand aan zichzelf sloeg 138,5 onder de verwachting. Men kan het Monroe-effect niet op zichzelf interpreteren. Slechts door systematische vergelijking van een groot aantal gevallen kan men over zulke cijfers wat zeggen. In het geval van kinderdoding zou daarvoor zeer langjarig onderzoek noodzakelijk zijn.