Presser en Genesis

BEELDENSTORMERS die voor hetzelfde geld katholieken, protestanten, joden of mohammedanen geweest kunnen zijn, de dominee in Wolkers' boeken die tot pastoor gebombardeerd wordt en het idee dat Jezus en Christus twee totaal verschillende personages zijn.

Frans Teitler, leraar Nederlands op het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest komt dit soort misverstanden vrijwel dagelijks bij zijn leerlingen tegen. Zelfs van huis uit katholieke scholieren weten niet welke betekenis de biecht heeft en bij het begrip erfzonde kijkt de hele klas hem glazig aan. “Je kunt de literatuur, de beeldende kunst en zelfs ook de politiek niet begrijpen als je van dit soort zaken niet tenminste iets afweet”, zegt Teitler.

Zijn ergernis over deze hiaten in de kennis van de leerlingen bracht hem er vijf jaar geleden toe om voor zijn 5-VWO-klassen een reeks van tien lessen te ontwikkelen over de betekenis van de bijbel. Deze lessenserie maakt sindsdien onderdeel uit van zijn programma in 5-VWO en wordt afgesloten met een stevig proefwerk. Hij behandelt de samenhang van het Oude en Nieuwe Testament en de betekenis van de bijbelboeken voor de joodse en christelijke godsdienst. Hij vertelt een aantal belangrijke bijbelverhalen en leest toepasselijke passages voor uit boeken als Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers, Omtrent Deedee van Hugo Claus en De Jacobsladder van Maarten 't Hart. Met het grootste gemak verbindt hij een ingezonden brief uit de Autokampioen over het steeds vaker voorkomen van het vissenteken op auto's aan een gedicht van Martinus Nijhoff over de vis in een christelijke context en de betekenis van de letters INRI boven het kruis van Jezus op een schilderij. Tussendoor maakt hij uitstapjes naar de vaderlandse geschiedenis als hij de godsdiensttwisten tijdens het Twaalfjarig Bestand behandelt en de leerlingen uitlegt welke invloed de eerste Statenvertaling van de bijbel heeft gehad op de ontwikkeling van de Nederlandse taal. Teitler heeft de afgelopen jaren een vrijwel onuitputtelijke verzameling krantenknipsels, reproducties en literatuurverwijzingen aangelegd, die allemaal betrekking hebben op de bijbel en de joods-christelijke cultuur in het algemeen. Hij heeft wat dat betreft het tij mee, want de media berichten ruimhartig over de herlevende belangstelling voor religie en de bijbels vliegen de winkels uit.

Voordat hij met zijn lessen begint “strooit hij eerst wat persoonlijke noten rond”. Teitler vertelt de leerlingen over zijn Nederlands-Hervormde moeder die hem naar de zondagsschool liet gaan, over zijn joodse vader en over het land waar hij geboren is, Indonesië, de grootste islamitische natie ter wereld. “Ik laat ze zien dat ik als het ware drie monotheïstische godsdiensten met gemeenschappelijke wortels in het Midden-Oosten in mij verenig”, aldus Teitler. Zelf heeft hij als student Nederlands ooit nog een tentamen bijbelse kennis moeten afleggen, een onderdeel dat tot zijn grote spijt uit het studieprogramma is verdwenen. Zijn kinderen heeft hij altijd trouw voorgelezen uit de kinderbijbel. Maar gelovig is hij niet, zijn bijbellessen hebben dan ook niets met evangelisatie te maken. Een begrip dat zijn leerlingen dankzij het succes van de EO weer wèl kunnen thuisbrengen. Uit zijn tas haalt hij een versleten bijbeltje dat hij bij zijn eindexamen van zijn vader kreeg. Hij leest er vrijwel dagelijks in, want tot de zomer draait hij - naast de tien reguliere bijbellessen - voor leerlingen van 5-VWO een werkgroep Bijbel en literatuur.

De 120 vijfdeklassers van het Rijnlands Lyceum hebben voor het vak Nederlands een keuze kunnen maken uit een aantal werkgroepen, zoals poëzie, close reading, analyse, de Nederlands-Indische en de Antilliaanse letterkunde. Teitlers werkgroep Bijbel en literatuur trok 24 leerlingen. Eén uur per week komen ze uit verschillende parallelklassen bij elkaar om zich te verdiepen in dit thema. De werkgroepen worden afgesloten met een scriptie die meetelt voor het eindexamen Nederlands. Wouter (16) heeft voor de werkgroep Bijbel en literatuur gekozen omdat deze hem van de zes “het minst a-boeiend” leek. Het is zijn eerste kennismaking met de bijbel en hij denkt dat het 'wel nuttig' is om er iets van af te weten. “Mijn vader en moeder zijn niet gelovig”, licht hij zijn gebrek aan kennis toe. “Maar m'n opa en oma geloven wel, misschien dat ik dat nu iets beter ga begrijpen.” Karin (16) heeft acht jaar op een christelijke basisschool gezeten en veel bijbelverhalen kent ze wel. “Maar verbanden tussen bijbel en literatuur kan ik niet leggen”, zegt ze en dat vindt ze juist belangrijk voor haar algemene ontwikkeling. “Er zijn kinderen die niet weten wat Kerstmis is, van Pasen weet vrijwel niemand iets”, vertelt ze als bewijs dat een werkgroep als deze geen overbodige luxe is.

Teitler hangt twee kaarten van het Midden-Oosten op. De vorige bijeenkomst heeft hij in grote lijnen de invloeden van Babyloniërs, Assyriërs, Israëlieten, Perzen, Grieken en Romeinen in dit gebied behandeld. Verder weten de leerlingen inmiddels dat Genesis het eerste bijbelboek is en ze hebben van hun docent enkele verhalen uit Genesis te horen gekregen. Als huiswerk kregen ze teksten van Wolkers en Belcampo mee waarbij ze zelf de bijbel moesten opslaan. Bijvoorbeeld bij het verhaal van Kaïn en Abel. Een jongen kon zijn huiswerk niet maken omdat hij thuis geen bijbel heeft. “Maar die komt binnenkort, ik heb het er met m'n ouders over gehad”, laat hij geruststellend weten.

Het verhaal 'Laatste kwartier' uit Gesponnen suiker van Wolkers stelt de leerlingen voor grote problemen en de link naar de de woede van Kaïn als God weigert zijn offer aan te nemen, komt in de klas maar moeizaam tot stand. “Lees het nog maar een keer met de kennis die je nu hebt”, adviseert Teitler zijn leerlingen ter afsluiting. Dan gaat hij over op een fragment uit Jacques Pressers Nacht der Girondijnen. Ook daarin zijn verwijzingen naar Genesis te vinden. Teitler vertelt het verhaal over de vernietiging van Sodom en houdt een krantenknipsel omhoog met het woord 'besodemieteren' in de kop, waarvan hij de herkomst uitlegt. Maar hij moet nog veel meer uitleggen, want Pressers boek speelt zich af in concentratiekamp Westerbork en ook die naam laat niet meteen een belletje rinkelen bij de leerlingen. Pas na al dit voorwerk kan hij gaan lezen. Halverwege stuit hij op de naam Filistijnen. “Ook dat is een bijbelse naam”, zegt hij tegen de klas, “maar daar leg ik jullie de betekenis later nog wel eens van uit”.

Aan het eind van de les deelt hij nieuw huiswerk uit. Een drietal krantenknipsel over de 'bijbelse motieven' die de moordenaar van de Israelische premier Rabin naar voren bracht ter verklaring van zijn daad. Teitler drukt de leerlingen nog eens op het hart de bijbel bij de hand te houden als ze de opdrachten maken. “Anders doe je jezelf en mij te kort.”