Potemkin in Academia; Enkele kanttekeningen bij het functioneren van de onderzoeksschool

De onderzoeksschool moest voorzien in de leemte die door de Tweede Fase ontstond. De bedoeling was, door het bundelen van hoog- gekwalificeerd wetenschap en onderwijs, jonge onderzoekers een geschikte opleiding te geven. Een onoverzichtelijke papierwinkel bleek het resultaat.

TSARINA CATHARINA de Grote werd ooit bij haar inspectiereis door de Oekraïne en de Krim lelijk bij de neus genomen door haar minnaar en favoriet Potemkin. De bezochte nederzettingen van de nieuw gekoloniseerde gebieden bestonden slechts uit een fraaie façade, die de armoedige toestand erachter aan het oog onttrok. Hetzelfde doet zich voor bij de Nederlandse onderzoeksscholen: evenzeer leeg verpakkingsmateriaal. Iedere Nederlandse wetenschapper die meent het zout in de pap waard te zijn, maakt inmiddels deel uit van ten minste één onderzoeksschool.

De onderzoeksschool is opgezet als een - verbeterde - invulling van de zogeheten Tweede Fase van de Twee-Fasenstructuur. Om de universitaire studieduur te verkorten werd in de jaren tachtig eerst een 'eerste fase' ingevoerd, korter dan de opleidingen die zij verving, met aan de eindstreep nog steeds de doctorandustitel. Een Tweede Fase werd in het vooruitzicht gesteld waarin de doctorandus nieuwe stijl tot onderzoeker kon worden opgeleid en zich een doctorstitel kon verwerven. Deze categorie onderzoekers werd assistenten in opleiding of onderzoekers in opleiding (AIO's dan wel OIO's) genoemd, al naar gelang de hun toebedeelde onderwijstaken. Na een moeizame start werden op vele plaatsen OIO/AIO-cursussen georganiseerd, in eerste instantie vaak niet veel meer dan hoorcolleges voor de gevorderde student. Deze invulling van de Tweede Fase werd algemeen als gebrekkig gezien. De onderzoeksschool moest in deze leemte voorzien en was oorspronkelijk gedacht als een manier om, door bundeling van hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, een omgeving te scheppen waarin de jonge onderzoekers een passende opleiding zouden krijgen. Aanvankelijk door de commissie-Rinnooy-Kan tot een tiental van dergelijke onderzoeksscholen beperkt, is al snel ongecontroleerde proliferatie opgetreden. Onder andere door haar sterke geografische spreiding heeft de Nederlandse onderzoeksschool een zeer gering rendement.

OV-JAARKAART

Wie bij de KNAW een lijst opvraagt van de scholen die in Nederland onderzoekers opleiden, komt niet met lege handen thuis: bijna honderd staan erop. De aspirant-onderzoeker zal zijn OV-jaarkaart hard nodig hebben, wil hij alle lokalen van zijn school bezoeken. Per onderzoeksschool moet de jonge doctorandus sporen tussen ten minste twee, meestal drie en soms vijf verschillende steden. Dit concept is in de wereld uniek. De onderzoeksschool is intussen verworden tot een ware orgie van samenwerking, inschuiven en aanschuiven bij onderzoeksgroepen, van dwarsverbanden van onderzoekers, praatgroepen en papierverbruik. Dit alles in de ijdele verwachting dat een onderzoeksschool als een keurmerk voor wetenschappelijke kwaliteit en productiviteit zou worden beschouwd en toegang zou geven tot nieuwe geldbronnen of vrijwaring van bezuiniging.

De wetenschappers hebben zich door de politiek en de universiteit laten beetnemen. De politici kan je het misschien niet eens kwalijk nemen, omdat zij zelf veelal geen wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en slecht op de hoogte zijn van de eisen waaraan een opleiding moet voldoen. De wetenschappers zelf zijn naïef en goedgelovig geweest bij het omhelzen van de onderzoeksschool-idee. Ze hebben het spelletje meegespeeld, in de hoop er beter, of althans niet minder van te worden. Iedereen krijgt nu weer bijna evenveel geld, dus geen scheve gezichten. Dat heeft uiteindelijk die bijna honderd scholen opgeleverd.

Als we bezien wat er met die onderzoeksscholen uit de bus is gekomen, is het des te verbazender dat men, om inspiratie op te doen, is gaan kijken bij onze Europese buren. Dit geldt zowel voor de onderzoeksscholen zelf (de Duitse Graduiertenkollege werden destijds nog een voorbeeld genoemd) als voor de lopende band die het half-fabrikaat moet aanleveren, de eerste fase. Wie meent dat er onder de streep iets positiefs overblijft van het Franse onderzoeksmandarinaat of dat onze oosterburen een lichtend voorbeeld zouden zijn, die heeft zijn huiswerk niet gedaan. Men stampt niet zo een-twee-drie een top-universiteit uit de grond. Aspirant decanen lopen over lege kazerneterreinen met de 'carré van Harvard' voor ogen. Juist hier wordt het bevattingsvermogen van deze academie-bouwvakkers kennelijk weer te zwaar belast: waarom bij wijze van vooropleiding/eerste fase een drie-jarige bacchalaureaatsopleiding (Anders! Engelse taal! Modern!), terwijl in de Verenigde Staten sinds jaar en dag een 4-jarig curriculum tot volle tevredenheid wordt gehanteerd? Eindelijk zijn we in Nederland af van het odium van de doctorandus-titel, die in het buitenland tot opgetrokken wenkbrauwen aanleiding gaf, en dan volgt nieuw gehannes. Het wat de titel betreft gedeeltelijk gelijkstellen van HBO en universiteit, het feit dat een bacchalaureaat en een 'masters degree' niet dezelfde zijn als een kandidaats of doctoraalexamen, dit alles draagt tot de verwarring bij. Daar komen dan straks 3- en 4-jarige opleidingen bij. Andere instituten zullen voor een 'licentiaat' of een 'magister'-titel kiezen.

BIJBEL-DIKKE GIDS

Het zullen er vele tientallen worden, te interpreteren aan de hand van een bijbel-dikke gids uit Zoetermeer. Waarom alleen de carré van Harvard en niet ook de structuur van het curriculum van de eerste fase overgenomen? Een vierjarig curriculum dat niet hoeft te worden getoetst aan de hand van zwakzinnige criteria als 'studeerbaarheid', waar herkansingen zeldzaam zijn (een slecht cijfer is gewoon een slecht cijfer; de zwakkere student kiest de wat meer simpele cursussen). Bij het behalen van de graad van 'bachelor' is de cijferlijst in de meeste Amerikaanse universiteiten gecondenseerd tot een opsomming van de gevolgde cursussen met de behaalde cijfers, en het gemiddelde, of 'grade point average' (GPA). Deze lijst en het GPA, tezamen met een vergelijkende toets zijn een redelijk betrouwbare indicator van wie de goede studenten zijn, en wie niet: mits men goed scoort, en de aanbevelingsbrieven in orde zijn, wordt men tot een 'graduate school' toegelaten. Of met zoveel woorden: selectie aan de poort van wie een kans verdient tot onderzoeker te worden opgeleid, en wie maar beter de publieke of eigen middelen niet verder moet belasten.

De toelatingscriteria zijn voor het gehele cohort promovendi binnen een 'graduate school' - voor zo ver haalbaar - constant en eerlijk: het maakt bijvoorbeeld niet zo veel uit of je je toekomstige promotor kent of niet. De beslissing om als promovendus ('graduate student') door te gaan is bijna altijd een positieve keuze, en niet ingegeven, zoals men in Nederland wel ziet, door een krappe arbeidsmarkt buiten het academische circuit.

Bij de opleiding tot onderzoeker wordt in Nederland te weinig benadrukt dat de kwaliteit van de opleiding vrijwel uitsluitend wordt bepaald door de opleiders zelf, en niet door het 'concept' of thema van de onderzoeksschool. Hoe mooi men ook een samenwerkingsverband kan aangeven, hoe compleet ook een bepaald vakgebied wordt afgedekt door toevallig beschikbare meerdere en mindere goden: het is de kwaliteit van de onderzoeker/opleider die van doorslaggevend belang is voor de opleiding van de jonge doctorandus.

Veel van de Nederlandse onderzoeksscholen zijn thematisch georiënteerd en dus vaak noodgedwongen over een aantal universiteitssteden verspreid om de gewenste graad van 'dekking' of deelname te bereiken. Daarbij wordt voorbijgegaan aan één simpel feit: alleen de lokale beschikbaarheid van de docenten kan voorzien in de noodzakelijke bron van inspiratie, vervult de voorbeeldfunctie, garandeert hun beschikbaarheid voor het uitwisselen en toetsen van ideeën in de wandelgangen. De remedie: stop zoveel mogelijk talent onder één dak. Een echt dak, niet een van papier.

Hoe moet het nu verder met de opleiding tot onderzoeker: niet meer dan tien topscholen of een vergaarbak van papieren constructies? Iedereen weet dat er voor een bepaald vakgebied vaak verschillen in kwaliteit bestaan tussen de universiteiten. De zwaarte is niet evenredig over de Nederlandse academies verdeeld. Deze verschillen zouden niet moeten worden verbloemd, maar juist moeten worden benut. Eenmalige, persoonsgebonden inrichtingskredieten, rechtstreeks van de overheid naar de betrokken onderzoeksinstelling, zouden als instrument kunnen worden gebruikt. Er zijn in Nederland locaties waar voor een gegeven vakgebied zich een organisch gegroeid 'geheel' van onomstreden kwaliteit heeft gevormd, zowel nationaal als internationaal toonaangevend. Waar dat het geval is, kan men dat meestal terugvoeren op een sterke wetenschappelijke directie en de prestaties van de verantwoordelijke onderzoekers zelf. Er is veel te zeggen voor een strategische plaatsing van toponderzoekers, iets wat (transferpremies) tot op zekere hoogte kan worden gestuurd.

Ten einde de wildgroei van papieren onderzoeksscholen te beperken, en om toch te pogen de kwaliteit van het Nederlands wetenschappelijk onderzoek veilig te stellen, worden nu de 'top-scholen' gepropageerd. Dit wordt dringen aan de ruif. De al erkende onderzoeksscholen zullen trachten zich strategisch op te stellen om deze kans niet te missen. De tekenen bedriegen niet: het gekibbel tussen de pretendenten voor het predikaat 'topschool' is begonnen, per fax (wegens de grote geografische spreiding) worden inmiddels de eerste voorhoedegevechten al geleverd .

OPBLAZEN

'Top-scholen' bieden geen oplossing. In plaats daarvan zou men twee dingen moeten doen. Ten eerste: hef de bestaande onderzoeksscholen op, of laat ze voortbestaan, als de deelnemers er zelf plezier in hebben, maar pomp er geen extra geld in. Dit bespaart een hoop geld, vergader- en reistijd en papier (bijna honderd visitatiecommissies, bijna honderd jaarlijkse voortgangsverslagen waarbij duizenden onderzoekers zijn betrokken, beleidsplannen, enzovoorts). Deze suggestie is ingegeven door de gedachte dat de huidige deelnemers aan onderzoeksscholen uit loyaliteitsoverwegingen weinig enthousiasme zullen tonen voor het opblazen van hun onderzoeksschool.

Ten tweede: verlaat het idee van de toponderzoeksschool, en gebruik dat geld voor een verruiming van algemene middelen voor wetenschappelijk onderzoek. Deze middelen moeten in eerste instantie worden toegewezen aan individuele onderzoekers op basis van geleverde prestaties en ingediende onderzoeksvoorstellen. De verdeling van deze middelen geschiedt door middel van 'peer review'. De infrastructuur daarvoor is reeds voorhanden (NWO). Meer dan in het verleden moet dit peer review gebruik maken van het oordeel van onderzoekers die geen rechtstreeks belang hebben in de uitkomst en wier onafhankelijkheid en kwaliteit van oordeel boven redelijke twijfel is verheven. Experts van buiten dus. Zolang de visitaties van de onderzoeksscholen voornamelijk door Nederlandse experts wordt verzorgd, bestaat het risico dat de 'hardheid' van de gegeven adviezen mede wordt bepaald door het motto: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Onafhankelijke deskundigheid in dezen is in het bijzonder vereist doordat alle competente Nederlandse onderzoekers inmiddels in een of meer onderzoeksscholen verstrengeld zijn. Een aantal wetenschappelijke zwaargewichten zou dan een disproportioneel groot deel van de beschikbare middelen naar zich toe halen. Dit lijkt me eerlijk en efficiënt: hun reputatie is immers gevestigd op grond van geleverde prestaties, en dat biedt de beste garantie dat de aan hen toevertrouwde gezellen de beste opleiding tot onderzoeker zullen krijgen.

BLOEDLIJNEN

Goede opleiders maken school: ze leveren een nieuwe generatie van hoog-gekwalificeerde onderzoekers op. De 'bloedlijnen' die men voor veel wetenschappelijke ontwikkelingen kan traceren, zijn daarvan het overtuigende bewijs: deze lijnen volgen generaties van onderzoekers, meer dan de instellingen waar ze werken, al kan dat natuurlijk samenvallen. Bovendien: de geldkraan naar een individuele onderzoeker kan snel worden dichtgedraaid, als de productie zou stagneren. Het is minder eenvoudig een top-school als geheel op rantsoen te zetten, wanneer de prestaties van slechts een of enkele deelnemers in gebreke blijven.

Hoewel de daadwerkelijke opleidingsbevoegdheid bij de universiteit moet blijven, wordt het hoog tijd dat ook andere instellingen van onderzoek, mits daartoe gekwalificeerd op grond van nationale en internationale reputatie, het recht krijgen tot het verstrekken van de doctorstitel. De competitie voor de beste promovendi wordt dan gevoerd op het niveau van het geleverde product: onderzoeksresultaten en ruime mogelijkheden om tot onderzoeker te worden opgeleid. 'Leveling the playing field', heet dat in de Verenigde Staten. Met deze oplossing wordt de universiteiten niets te kort gedaan. Hun rest slechts de beste onderzoekers aan zich te binden door het scheppen van gunstige werkomstandigheden: alleen vergaderen wanneer dat nuttig is, evenredige deelname aan besluitvorming die het eigen onderzoek direct of indirect raakt, en vooral: zorgen dat het gas en licht op tijd worden betaald. De studenten blijven ook dan komen.

    • Hidde Ploegh