NOOIT MEER SPELEN ZOALS IN ATLANTA

Sinds een half jaar zit er naast Anton Geesink nog een Nederlander in het Internationale Olympisch Comité. Het is Hein Verbruggen, voorzitter van de mondiale wielerunie (UCI). Hij staat bekend als een vernieuwer, hij neemt geen blad voor de mond. “Atlanta had niets en heeft niets.”

Hij noemt zijn bestuurlijke sportloopbaan “een uit de hand gelopen hobby”. Hein Verbruggen, 55 jaar, is consultant van beroep, maar aan werken komt hij door zijn sportbesognes nauwelijks meer toe. Hij heeft nooit uitgerekend hoeveel uren hij er precies mee bezig is. “Veel, hou het daar maar op.”

Verbruggen is sinds een half jaar een van de 112 leden van het Internationaal Olympisch Comité, het hoogste sportorgaan ter wereld. Het is niet zo vreemd dat de almachtige voorzitter Juan Antonio Samaranch zijn oog op hem heeft laten vallen. Verbruggen toonde zich als wielerbestuurder een doortastend vernieuwer. Sinds zijn aanstelling als kopman van de internationale wielerunie (UCI) in 1991 heeft hij zijn sport een facelift gegeven. De marketing-deskundige, die zelf alleen als recreant fietste, introduceerde onder meer een financieel lucratief puntenklassement voor de wereldbeker, die voor meer strijd en minder afspraken zorgde. “Een kopgroep vooruit, even lullen op twintig kilometer voor de streep en wie biedt er het meeste”, zoals Verbruggen het zelf zegt, dát kon en mocht niet meer.

Verbruggen is trots op de veranderingen die heeft doorgevoerd. “Maar 'trots' is een woord dat je in Nederland niet mag gebruiken. Daarom is 'voldoening' een betere uitdrukking.” Hij was deze maand even terug in zijn geboorteplaats Helmond - onder meer om met twee zoons carnaval te vieren. “Mijn broer vertelde me dat hij nog een videoband had van onze vorig jaar overleden vader. Er stond op: Hein. Het ging om een interview van mij met de BRT. Dat moet in '89 of '90 zijn geweest. Ik was nog voorzitter van de FICP, de profsectie. Wat ik toen zei dat er moest gebeuren, is ook gebeurd. Leuk.”

Verbruggen heeft tot dusverre minder resultaat geboekt met het dopingvraagstuk. De UCI-voorzitter heeft het gevaar van doping in de wielersport lange tijd min of meer gebagatelliseerd. Hij was en is van mening dat het verboden slikken en spuiten een gemeenschappelijk probleem is en niet specifiek een probleem voor wielrenners. In eerdere interviews noemde hij doping allemaal voodoo. “Er is nooit bewezen dat doping helpt”, legt hij uit. “Ik heb zelf meegedaan aan testen. Ik ben ervan overtuigd dat doping in het wegwielrennen fysiek gesproken absoluut onbelangrijk is. Waarom? Je zit zes, zeven uur op de fiets. Er spelen zo veel factoren mee: de vorm van de dag, loopt het met de ploeg, heb je 's morgens geen problemen met je vrouw gehad, is je kind niet ziek. En dan zou net dat ene pilletje beslissend zijn?”

Door het gebruik van EPO heeft Verbruggen zijn mening moeten bijstellen. EPO staat voor erythropoïetine, een eiwithormoon dat wielrenners met een injectienaald in het lichaam brengen. EPO maakt meer rode bloedlichaampjes aan en dat zorgt voor meer zuurstof. Het heeft een prestatieverhogende werking. “Dat is geen voodoo meer”, erkent Verbruggen.

“De dopingstrijd valt niet te winnen. Als we straks EPO via controle kunnen ontdekken, stappen de renners gewoon over op het volgend produkt. Op den duur zal de wetenschap produkten leveren die niet meer te ontdekken zijn. Het dopingprobleem is net zo groot als twintig jaar geleden. Dat lost zich niet op.De realiteit is dat we heel veel controles uitvoeren en maar 1 procent van de sporters betrappen. Bovendien zijn er beslist meer atleten die gebruiken.”

Verbruggen neigt derhalve naar een andere, opvallende benadering van de dopingproblematiek. “Moeten we eigenlijk niet dingen toestaan zolang het geen kwaad kan voor de gezondheid? Ik zeg het met de nodige voorzichtigheid en ik zeg ook niet dat ik er voor honderd procent achter sta. Maar ik begin die stemmen steeds meer te horen. Het is misschien de oplossing.”

Gezondheidscontroles zijn onder anderen een idee van de Geleense arts Lon Schattenberg, lid van de anti-dopingcommissie van de UCI. “Het is een interessante gedachte”, zegt Verbruggen. “Het houdt een verandering in van de dopingdefinitie. Je verlegt het zo veel meer naar de gezondheid. Er zitten enorme consequenties aan. Want verplicht je daarmee iemand die geen doping wil gebruiken het wel te doen? Dat is de eerste vraag. Daarom moeten we een multi-disciplinaire commissie samenstellen. Ethici zijn de eerste mensen die je daarvoor uitnodigt. Die helpen je te bepalen wat goed is en wat slecht.”

Verbruggen wijst erop dat dopinggebruik eigenlijk al wordt geaccepteerd. “Wij staan al jaren testosteron toe tot de grens van zes. We accepteren dus al dat iemand van 1:1 naar 1:5,9 gaat. Voor cafeïne geldt hetzelfde. En met EPO kan iemand manipuleren tot 49 procent. Dat principe zit dus al in de sport.”

Vorige maand sloegen de beroepsrenners alarm over het gebruik van EPO, dat bij zware inspanningen tot verklontering van het bloed en eventueel tot hart- en herseninfarcten leidt. Op voorspraak van de profs organiseerde Verbruggen eind januari een bijeenkomst, waar werd besloten dat de renners voortaan niet alleen hun urine maar ook hun bloed laten controleren. Coureurs bij wie het bloed voor vijftig procent of meer uit rode bloedlichaampjes bestaat, krijgen een startverbod. “Een perfect initiatief”, zegt Verbruggen.

De wielerwereld loopt met deze anti-dopingmaatregelen voorop in de sport. Nog niet zo lang geleden praatte Verbruggen met zijn collega's binnen het IOC helemaal niet mee over de dopingproblematiek. Samaranch had het niet zo op de wielerstructuur. De Spaanse IOC-voorzitter vergeleek het wielrennen, dat toen internationaal nog in drie secties was opgesplitst - de profs, de amateurs en een overkoepeld orgaan - met de situatie in het profboksen met zijn vele bonden. Verbruggen: “Ik was niet boos over die uitspraak, ik was het gewoon roerend met hem eens! Het was een waanzinnige situatie. Samaranch zag het met lede ogen aan, want op de Olympische Spelen lieten de profs, de beste wielrenners, verstek gaan.”

Samaranch had later grote invloed op de totstandkoming van de UCI, de overkoepelende wielerbond. Verbruggen zocht in 1990 contact met de IOC-voorzitter toen een Russische wielerbestuurder zich inspande om profs en amateurs gescheiden te houden. Voor die tijd had hij Samaranch slechts één keer ontmoet. “Dat was in '88, in de Tour de France. Maar dat blijft dan bij een handje. Ik had verwacht in Lausanne een heel voorzichtige diplomaat te treffen. Maar daar was geen sprake van! Samaranch was veel directer dan ik. Hij kwam meteen met een briljante vondst. Hij zei: ik denk dat wij de amateursectie destijds erkend hebben als een afdeling van de UCI. Dus moeten wij terug naar de UCI. Klaar! Dat is heel belangrijk geweest, doorslaggevend.”

In 1992 was Verbruggen als voorzitter van de nieuwe UCI voor het eerst bij de Olympische Spelen aanwezig. Hij was onder de indruk in Barcelona. “Het was meer dan een simpel wedstrijdje. Het verraste me echt dat keiharde profs zo graag naar de Olympische Spelen wilden. Dat geeft al aan dat de Spelen iets heel bijzonders zijn, een mythe. De marketingman in mij zei meteen dat er wat mee te doen viel. Daar ben ik ook aan gaan werken. Dat is goed gelukt. We stonden er in Atlanta. Wielrennen was een succes. We hadden zo'n 200.000 mensen langs het parcours staan.”

Bij de Olympische Spelen hoort ook een stad van naam, een stad met allure. Verbruggen: “Atlanta sprak wat dat betreft niet aan. Atlanta had niets, Atlanta heeft niets. En het organisatiecomité heeft er alles aan gedaan om het niets te laten hebben.” Een opmerkelijk harde uitspraak uit de mond van een IOC-lid. “Maar het is toch zo? Atlanta had een commerciële uitstraling. En de Olympische Spelen horen meer te zijn.”

Samaranch was wat dat betreft minder direct. Verbruggen: “Dat kan ook niet als voorzitter. In zijn slottoespraak heeft hij niet gezegd dat Atlanta the best Games ever waren. Dan weet iedereen genoeg. Het grote probleem waar de Amerikanen mee zaten, was dat het private Spelen waren. Organisator Billy Payne moest maar zorgen dat hij anderhalf miljard dollar bij elkaar kreeg. Hij heeft zelfs de stad nog tien miljoen betaald om de Spelen te mogen organiseren. Dat is waanzin. Daarom zei Samaranch al tijdens de eerste bijeenkomst van de evaluatiecommissie: Never an Atlanta again! Hij bedoelde niet de persoon of de stad, maar het model.”

Het was Verbruggen uit het hart gegrepen. Hij wil niet dat de commercie in de sport de overhand krijgt. “Ik ben absoluut tegenstander van een autonome beroepstak binnen de sport. Het is gevaarlijk wat er in het voetbal gebeurt, onder meer met de Champions League. Ik begrijp dat er soms aparte regels met betrekking tot tv-rechten en sponsoring moeten zijn, maar gebruik altijd een groot gedeelte van dat geld voor je basis. We hebben met de UCI ook te lang alleen maar gekeken naar die paar honderd beroepsrenners. Tegenwoordig zijn we hard bezig met de toeristen, de liefhebbers.”

Verbruggen, die deel uitmaakte van de evaluatiecommissie die de elf kandidaat-steden voor de Olympische Spelen van 2004 beoordeelde, is optimistisch over Sydney, waar in 2000 de volgende Zomerspelen worden gehouden. “Het loopt heel goed. Ik heb voor Atlanta wel eens het gevoel gehad dat Sydney al verder was, bij wijze van spreken dan. Iedereen staat er daar achter.”

Het is overigens lang geleden dat Verbruggen daadwerkelijk bemoeienis had met de sport in Nederland. Na zijn studie Nijenrode ging hij in België werken en wonen. Sindsdien woonde hij - op twee korte periodes na - in het buitenland. Hij woont nu alweer tweeënhalf jaar in het Zwitserse Lausanne, waar én de UCI én het IOC gevestigd zijn. Toch zegt Verbruggen altijd Nederlander te zijn gebleven. “Daar liggen mijn roots. Ik denk zelfs nog steeds in guldens.”

Hij heeft geen behoefte zich met de sport in Nederland te bemoeien. “Ze kunnen ook best zonder mij. Het gaat toch goed? Kijk eens naar de resultaten in Atlanta, schitterend.” Hij vindt het wel vervelend dat de samenwerking tussen zijn collega-IOC-lid Anton Geesink en de bestuurders van het Nederlands Olympisch Comité verre van goed verloopt. Hij zou in die kwestie best willen helpen, maar zal zelf geen initiatief nemen. “Anton wordt binnen het IOC zeer gewaardeerd. Hij heeft een geweldig imago in de wereld. De mensen vinden dat hij af en toe wat dramt. Ja, zeg ik dan, maar dat apprecieerden we juist zo in hem toen hij sporter was. Als hij dat niet had gehad, was hij in 1964 nooit olympisch kampioen geworden.”

Hein Verbruggen heeft altijd gezegd geen UCI-voorzitter te willen blijven tot hij bejaard is. Maar zijn wielerfunctie is verbonden aan zijn IOC-lidmaatschap.Wanneer hij opstapt als kopman van de wielrenners, moet hij ook vertrekken als olympisch bestuurder. “Dat zal me er toch niet van weerhouden over vier jaar op te stappen. Ik ben dan zestig en that's it. Dan ben ik tien jaar voorzitter geweest en dan moet er gewoon iemand anders komen. Ik heb dat laatst trouwens aangekondigd binnen de UCI, maar niemand geloofde me.”