Nooit extreem; Schoolboekenuitgevers streven naar 'haalbare vernieuwing'

Alles moet anders in de hoogste klassen van het middelbaar onderwijs, zo willen regering en parlement. Maar de schoolboeken zullen slechts langzaam veranderen. 'Als je te veel vernieuwt verkoop je niets.'

VERNIEUWING van schoolboeken lijkt wel wat op een sketch van Monthy Python, “waarin ze je voorhouden hoe eenvoudig het is om beroemd te worden. Je hoeft alleen dokter te worden en een medicijn uit te vinden dat alle ziekten geneest. Dan ben je beroemd.” Zo typeert schoolboekenschrijver en leraar Engels Hans Luymes het grootste probleem van auteurs en uitgevers rond de vernieuwing van de schoolboeken voor de hoogste klassen van het middelbaar onderwijs. Er zijn inmiddels prachtige onderwijskundige idealen, maar hoe deze idealen in de schoolboeken vormgegeven moeten worden, is niet omschreven. Dat wordt overgelaten aan de interpratie van de uitgevers en de auteurs.

In het schooljaar 1998/1999 gaat de 'Tweede Fase' in de bovenbouw van Havo en VWO van start. Voor alle vakken treden dan nieuwe examenprogramma's in werking. En de didactiek moet ingrijpend anders. De school wordt 'studiehuis' zelfstandige leerlingen moeten autonoom leren, met de leraar als begeleider. Communiceren, samenvatten en zelf onderzoek doen, in alle vakken moeten die vaardigheden centraal staan. Niet alle lesuren voor een vak zullen bij de docent worden doorgebracht. Scholieren moeten ook zelfstandig werken in 'studiehoeken' en 'studienissen', individueel of in groepjes.

Bij die golf van veranderingen kan het lesmateriaal niet hetzelfde blijven. Probleem voor de uitgevers en de auteurs is dat ervaring met de nieuwe manier van lesgeven geheel ontbreekt. Er zijn wel scholen die met deze nieuwe vorm van onderwijs experimenteren, maar deze informatie blijft fragmentarisch. De vakdidactici maken zich zorgen. De Universiteit van Utrecht begint pas dit jaar een project waarin voor de vier bèta-vakken voorbeeldlessen ontwikkeld worden. “Eigenlijk hadden dit soort projecten al afgerond moeten zijn”, beaamt Piet Lijnse, hoogleraar natuurkundedidactiek in Utrecht. “Deze stap is door de beleidsmakers overgeslagen. Maar juist voor zo'n vernieuwing als deze heb je diepgravende vakdidactische ontwikkelingsprojecten nodig.”

Voor de makers van schoolboeken wordt het improviseren. Schoolboeken moeten nu altijd begrijpelijk zijn zonder uitleg van de leraar. Uitgeverij Wolters-Noordhoff heeft daarom voor de didactiek en vormgeving van al haar schoolboeken een uniform kader voor de auteurs vastgesteld. Volgens Nancy Bosch, marketing manager voortgezet onderwijs bij deze uitgeverij, is het “geen keurslijf, maar een visie die we geformuleerd hebben in samenspraak met auteurs, schoolleiders, docenten en didactici en waarin we onze auteurs een aantal keuzes aanbieden”. Zo wordt bijvoorbeeld omschreven hoe een paragraaf eruit moet zien: steeds beginnend op een nieuwe bladzijde en met kleine stukjes tekst voorafgaand aan een opdracht. Ook de soorten opdrachten dat de auteurs mogen geven, worden omschreven.

Auteur Hubert Biezeveld werkt voor uitgeverij Wolters-Noordhoff aan een nieuwe natuurkundemethode. Hij kan goed met de WN-lijn uit de voeten. Sterker nog: “De WN-lijn zet soms juist aan het denken.” Rob de Kievit, plaatsvervangend hoofd van de afdeling voortgezet onderwijs van het Instituut voor Leerplanontwikkeling SLO is blij dat dat uitgeverijen op zo'n schaal een rode draad voor hun didactiek formuleren. Het SLO adviseert desgevraagd uitgevers over de nieuwe examenprogramma's en didactiek in de Tweede Fase. Voor dat laatste heeft het eind 1995 een 'handreiking voor uitgevers' uitgegeven. Naast de vakliteratuur en experimenten op Nederlandse scholen diende ook de beperkt verkrijgbare informatie uit Scandinavië over zelfstandig leren als bron. Desondanks noemt ook De Kievit het “lastig voor auteurs en uitgevers om de vertaalslag van idealen over zelfstandig leren naar de praktijk te maken”.

Auteurs van schoolboeken zijn in Nederland vrijwel zonder uitzondering ook werkzaam als docent. “Docenten willen alleen boeken die door andere docenten geschreven zijn”, zegt Hetty Hurkmans, uitgever vreemde talen bij uitgeverij Meulenhoff Educatief. Bij het schrijven gebruiken de auteurs hun onderwijservaring als bron. Biezeveld staat sinds 1968 voor de klas en heeft daar ontdekt dat praten alleen in de klas niet erg efficiënt is. “Net als veel collega's van mijn leeftijd ben ik daarom op zoek gegaan naar manieren om leerlingen zelf te laten studeren. Dit gebruik ik in het boek dat ik schrijf.”

Toch zullen niet alle docenten dezelfde ervaring hebben, anders zou het studiehuis in Nederland al gemeengoed zijn - zonder inmenging van de Stuurgroep Tweede Fase. Het merendeel van de docenten is nogal behoudend, weten uitgevers en vakdidactici. Dat levert wrijving op, want het zijn juist deze behoudende docenten die de vernieuwingen moeten uitdragen en zij zijn het die uit de verschillende methodes een keus maken. Zij vormen de afzetmarkt voor de educatieve uitgeverijen, die allemaal zoveel mogelijk willen verkopen. Logische gevolgtrekking lijkt dan ook dat de vernieuwde schoolboeken voor de Tweede Fase niet zo vernieuwend zullen zijn als de idealisten voor ogen hebben. Voorop staat immers wat de markt wil.

“Klopt”, antwoordt Piet van Engelen, uitgever biologie en ANW (Algemene Natuurwetenschappen) bij Malmberg: “Als je te veel vernieuwt verkoop je niets, maar als je te weinig vernieuwt ook niet. De markt moet het willen gebruiken. Wij streven daarom naar haalbare vernieuwing. We gaan uit van een herkenbare weg voor docenten, uit hun traditie, zodat het leermiddel een brugfunctie kan zijn naar vernieuwing.” Hurkmans is het met hem eens. “We maken nu niet de methode voor het studiehuis die alles in zich heeft. Het is een proces dat zich geleidelijk zal voltrekken. De docent zit echt niet op idealisme te wachten, maar op een bruikbare methode die hem de weg wijst.”

Maar wie bepaalt waar de docent op zit te wachten, de uitgever of de auteur? “Beiden”, antwoordt Hurkmans. “Het maken van een schoolboek is een collectief proces. Het is een kwestie van compromissen sluiten. Daardoor wordt het ook nooit extreem. Kortom: echt Nederlands.” Het concept voor een nieuwe methode kan op verschillende manieren tot stand komen. De auteur kan met zijn of haar idee naar de uitgever gaan, maar vaker ontwikkelt de uitgever een concept. Dit wordt vervolgens voorgelegd aan collega-uitgevers, auteurs en vakdidactici. Zo wordt het SLO regelmatig om didactische adviezen gevraagd.

Auteurs kunnen tot een bepaald moment in de totstandkoming van een methode op- en aanmerkingen maken op een concept, maar op een gegeven moment moeten er knopen worden doorgehakt en moet er gewerkt worden. Dat kan conflicten opleveren. Luymes: “Soms staat wat de uitgever commercieel noodzakelijk vindt op gespannen voet met wat je in jouw boek wilt. Bijvoorbeeld als je uit de praktijk weet dat iets weinig rendement oplevert, terwijl de uitgever toch wil dat het er in komt.” Soms drukt dan de uitgever zijn mening door, zoals in het geval van Luymes het opnemen van spreekopdrachten in de methode. “Ik ben daar geen liefhebber van. Ik heb er moeite mee om realistische opdrachten te maken, omdat ik er niet in geloof. Totdat iemand een opdracht weet te verzinnen die leerlingen leuk vinden, houd ik grote reserves. Laat ze het maar in het Nederlands zeggen, want in het Engels komt er toch niks uit. Het blijven pubers, de schroom blijft. Maar een ander denkt daar anders over. En dat moet je steeds in de gaten houden: de grote groep gebruikers waarop de uitgever mikt. Daarom verdelen mijn mede-auteurs en ik het werk. Ieder doet datgene waarin hij het beste is.” Soms gaat ook de uitgever overstag voor de argumenten van de auteur(s). Zo zal de nieuwe methode Engels waaraan Luymes werkt alleen 'impliciete grammatica' bevatten. “Na veel discussie deelt de uitgever onze mening dat dit uiteindelijk meer rendement zal opleveren. Alle goede schrijvers hebben kasten vol boeken: taalgevoel krijg je door veel te lezen, dat leer je niet uit een grammaticaboek.”

Of de uitgever nu het concept aanlevert, of de auteur, feit blijft dat de uitgevers boeken willen verkopen, en daarom hun marketing-stempel op hun producten drukken. “De macht van de uitgevers is inderdaad groot”, beaamt De Kievit. “Maar dat is altijd al zo geweest. Mijns inziens houdt het commerciële karakter van de uitgeverijen de mensen juist scherp. En we moeten accepteren dat in het onderwijs veranderingen tijd nodig hebben. het gaat om gedragsveranderingen bij mensen en dat gaat nu eenmaal langzaam. De idealisten onder ons zullen ongetwijfeld teleurgesteld worden, maar ik ben al tevreden als we de verandering in gang kunnen zetten.”

Gebrek aan ervaring met de nieuwe didactiek is niet het enige probleem dat uitgevers en auteurs parten speelt. De nieuwe methoden moeten onder een enorme tijdsdruk tot stand komen. Normaliter hebben uitgevers en auteurs zo'n vier jaar de tijd voor de ontwikkeling en vervaardiging van een nieuwe methode. Nu moeten in krap twee jaar alle leerboeken voor alle vakken vernieuwd worden, terwijl er bovendien een aantal nieuwe vakken is ontstaan, waarvoor helemaal geen materiaal bestaat. “Slavenarbeid”, noemt Biezeveld het. En vakdidacticus Lijnse vreest dat het tijdsbestek zo kort is dat de echte vernieuwing niet uit de verf zal komen.

Peter Knoester, uitgever aardrijkskunde bij Wolters-Noordhoff, snijdt nog een probleem aan: de schaarste aan auteurs. Wolters-Noordhoff heeft in dat kader in het voorjaar van 1996 een wervingsdag gehouden in Amsterdam. Daaruit zijn heel wat nieuwe auteurs gerold, die duidelijk te verstaan kregen wat er van hen verwacht werd: hard werken aan breed inzetbare methodes. Knoester: “We hebben gezocht naar mensen met realiteitszin. Dat heeft gewerkt, we hebben nu geen luchtfietsers meer binnen.”

Docenten die al op zoek zijn naar nieuw materiaal voor de Tweede Fase komen voorlopig nog bedrogen uit. Pas in de loop van dit jaar komen de eerste nieuwe methodes op de markt, aldus De Kievit. “Begin 1998 zullen er 'methodekeuzeconferenties' worden gehouden, waarin de docenten voorlichting krijgen over de nieuwe methodes.” Gerard Janssen Duijghuijsen, docent biologie in Hoorn: “Probleem bij ons is dat elke docent iets anders wil. Als we daar uit zijn, kunnen we ons richten op de keuze van de nieuwe methodes. Maar vergeet het financiële aspect niet: onze school heeft niet genoeg geld om voor elk vak een nieuwe methode aan te schaffen. Bij biologie zijn we nog niet zo lang geleden overgestapt op een nieuwe methode. Voor mij wordt het dus improviseren met niet al te kostbare aanvullingen die de uitgevers hopelijk op de markt brengen. En anders wordt het afwachten”, verzucht hij.