Middelen voor later

Werkende jongeren tussen 23 en 30 jaar zijn moeilijk over te halen om te sparen voor later, omdat de opbouw van hun carrière, woonruimte, een auto en vakanties alle aandacht opeisen. Dat ligt voor de hand als je nog een carrière van minstens dertig jaar voor de boeg hebt, maar verstandig is het niet. Daarom leggen zorgzame ouders hun kroost boekjes over pensioenen voor, knippen stukjes uit de krant en leggen die op een opvallende plaats, vragen folders aan of maken afspraken met (verzekerings)adviseurs.

Brengen die inspanningen het hardleerse nageslacht op andere gedachten? Meestal niet. Dat is jammer, want er zijn vele redenen om eens na te denken over een oudedagsvoorziening en er tijdig iets aan te doen.

Ten eerste vermindert de kans dat je veertig jaar onafgebroken zal deelnemen in een goede pensioenregeling met eindloonregeling (pensioen plus AOW op 60 of 65 jaar is 70 % van het laatst verdiende loon) en waardevaste uitkeringen. Daar zijn minstens drie oorzaken voor.

De kans lijkt groot dat de overheid het door werkgevers opvoeren van pensioenpremies als loonkosten beperkt tot middelloonregelingen. Veel kleine bedrijven bieden geen regeling, maar geven hun werknemers geld om zelf iets te regelen. En: jongere werknemers wisselen regelmatig van baan en lopen daardoor meer kans om (tijdelijk) buiten de pensioenboot te vallen.

Ten tweede zijn er mensen met een flexibele aanstelling, een tijdelijk contract als freelancer of een eigen bedrijfje. Die missen de warmte en zekerheid van een vaste aanstelling en dito pensioenregeling. Wanneer deze mensen verder nooit iets sparen, vallen ze straks terug op AOW als pensioen, tenzij ze voldoende erven of een welvarende pensioendeler aan de haak weten te slaan.

Ten derde werkt de tijd in het voordeel van een belegging. Wie nu 1.000 gulden wegzet, die som 40 jaar laat rijpen en netto 7 % per jaar maakt, bezit in het jaar 2007 1.967 gulden, in 2017 3.870, in 2027 7.612 en 2037 14.974 gulden. De aanwas in de eerste 10 jaar bedraagt 967 gulden en stijgt in de loop van de jaren tot 7.362 gulden in de laatste 10 jaar. De aanhouder wint, de tijd helpt.

Ten vierde levert het gedisciplineerd opzij leggen van een vast bedrag per maand, of een percentage van het inkomen, meer op dan geforceerde, incidentele besparingen.

Deze vier punten pleiten er dus voor om jong met later te beginnen. Als de betrokkene dat niet uit zich zelf doet, kunnen ouders vast een begin maken om te laten zien hoe je zoiets aanpakt.

Een populaire (vooral in de VS), heilzame methode om een vermogen(tje) te vormen is het middelen of dollar cost averaging. Het systeem werkt zo. Je geeft de bank opdracht om per maand, kwartaal, halfjaar of jaar automatisch een vast bedrag van je rekening af te schrijven en daar aandelen of aandelen in een beleggingsfonds voor te kopen, ongeacht de koers. Op die manier omzeil je drie problemen: je hoeft de koersen niet te volgen, niet te dubben over het voordeligste moment van aankoop en de bank zorgt ongemerkt voor een ijzeren discipline. Natuurlijk moet je wèl van te voren aangeven welk fonds de bank moet kopen. Maar daar kan de bank in adviseren.

Welk voordeel biedt deze strategie? Bijvoorbeeld voor een inleg van 100 gulden per maand in het beleggingsfonds ABC dat eind januari op 100 gulden stond. De middelaar kocht dus via de bank 1 participatie. Eind februari doet ABC 80 gulden (het is maar een voorbeeld!) en koopt hij 1,25 participatie. Eind maart staat ABC op 120 en koopt hij 0,83. Daarna bezit hij 3,08 participaties, met een gemiddelde aanschafprijs van 97,40 gulden, die 369,60 gulden waard zijn en 69,90 aan koerswinst opleveren.

Een belegger die niet middelt, maar iedere maand 1 participatie koopt, met een gemiddelde aanschafprijs van 100 gulden, bezit na drie maanden 3 participaties met een waarde van 360 gulden (3 maal 120) en maakt geen 69,90, maar 60 gulden koerswinst. Hoe kan dat? Een middelaar koopt bij lagere koersen meer participaties dan bij hogere.

Wie deze 100 gulden-middenweg 30 jaar volhoudt en netto 7 % rendement gemiddeld maakt (voor een aandelenbeleggingsfonds geen bijzonder hoog percentage) komt als middelbare middelaar uit op circa 120 duizend gulden. Na 40 jaar op zo'n 275 duizend gulden.

Zo middel je voor later en leg je, los van je werkkring, een solide basis voor een goede oudedagsvoorziening in eigen beheer, die je best af en toe voor een eigen huis of een auto mag gebruiken. Er is geen enkele reden om niet direct met middelen te beginnen.