Karel de Grote werd in 800 keizer om over de Saksen te heersen

Het middeleeuwse keizerschap - dat pas echt ophield te bestaan toen in het revolutiejaar 1918 de keizerrijken Oostenrijk en Duitsland republieken werden - ontstond in 800 na Chr.

In dat jaar werd op eerste kerstdag in Rome Karel de Grote, koning der Franken, door paus Leo III gekroond tot augustus imperator Romanum gubernans imperium: voor het eerst sinds 476 had West-Europa weer een echte keizer. Tot nu toe was de opvatting van historici dat deze kroning tot stand was gekomen door de machinaties van Leo III, die een machtige beschermer nodig had tegen de Romeinse adel, en door de liefde voor het idee van een christelijk Romeins Rijk die aan Karels Hof - in de zogenoemde Karolingische renaissance - zou zijn opgebloeid. Ook zou een rol hebben gespeeld dat in Constantinopel een vrouw, Irene, de Oost-Romeinse keizerstroon bezette, waardoor volgens de Franken de keizerskroon vacant was.

In The English Historical Review (1996, vol. CXI, no. 444, p 1113-1133) verwerpt Henry Mayr-Harting (St. Peter's College, Oxford) deze traditionele verklaringen. Volgens Mayr-Harting hangt de keizerskroning van Karel de Grote samen met zijn definitieve onderwerping van de Saksen ca. 797. Karel kon over dit roerige Germaanse volk niet als koning heersen, omdat de Saksische adel dat instituut niet kende. De enige manier om over de Saksen te heersen zonder hen nodeloos te vernederen, was het keizerschap.

Volgens Mayr-Harting is deze nieuwe verklaring nooit eerder door mediëvisten geopperd omdat de historici die zich bezighouden met Karel de Grote en het pausschap zich zelden bekommeren om de relatie tussen Karel en de Saksen. Vooral in de Duitse historiografie is de relatie tussen het keizerschap en de paus zo ongeveer sinds de middeleeuwen zelf axiomatisch.

Karel de Grote opende in de jaren 770 de aanval op de Saksen, om het voor handel en communicatie belangrijke Rijnland te beveiligen tegen hun plundertochten. In 772 veroverde hij Irmunsul, een heidens heiligdom van de Saksen. In 783 zou Karel 4.500 Saksische krijgers hebben laten ombrengen. In dezelfde tijd werd op het deelnemen aan Saksische heidense rituelen de doodstraf gesteld, want de belangrijkste garantie van eenheid in het Frankische rijk was het christendom. Eind jaren 790 lijken de Saksen definitief onderworpen: in Karels wetten uit die tijd wordt een gematigder toon aangeslagen. De Saksische adel werd toen bijvoorbeeld op één lijn gesteld met de Frankische, en de traditionele Saksische wetten werden gerespecteerd.

De precieze vormgeving van de nieuwe Frankische heerschappij over de Saksen was echter een probleem. Bij de verovering van Noord-Italië nam Karel gewoon de bestaande titel Rex Longobardorum over. Maar bij de Saksen bestond zo'n titel niet, en in de volgens Mayr-Harting zeer naam-bewuste vroege middeleeuwen was dat een probleem. Het opleggen van een Rex Saxorum zou voor de Saksische adel zeer vernederend zijn geweest en hun inlijving in het Frankische rijk bemoeilijken. De keizertitel bood in deze impasse uitkomst, te meer omdat er sterke aanwijzingen zijn dat de Saksen hun heidense oppergod uitrustten met eretekenen die hoorden bij het Laat-Romeinse keizerschap. De 'truc' van Karel had succes: in de negende eeuw veroorzaakten de Saksen geen problemen meer.

Mayr-Harting concludeert dat het keizerschap van Karel een oplossing was voor 'een zeer tijdelijk probleem'. Dat later - zeker na de vernieuwing van de 'karolingische' traditie door de keizerkroning van de Saksische Otto I in 962 - het keizerschap een tot de verbeelding sprekend instituut werd en een belangrijke historische mythe, doet daar niets aan af. “Grote historische feiten kunnen ontstaan uit voorbijgaande behoeften”, aldus Mayr-Harting.