Het wordt tijd het publiek beter over de euro voor te lichten

De bel voor de laatste ronde op het parcours naar de Economische en Monetaire Unie is geluid. J.P. van Iersel vindt het zaak, nu de spanning oploopt, dat strikt wordt vastgehouden aan de criteria die in het Verdrag van Maastricht zijn gesteld en dat de voorlichting aan burgers en bedrijven over de EMU serieus ter hand wordt genomen. Op dit terrein is Nederland bedenkelijk achterop geraakt.

De Economische en Monetaire Unie (EMU) is de meest beslissende stap in het integratieproces sinds de oprichting van de EEG in 1957. De EMU raakt het hart van de nationale soevereiniteit. Nu tenslotte de bel voor de laatste ronde luidt, neemt de spanning begrijpelijkerwijs toe.

Omdat niet duidelijk is, of overal dezelfde wind waait, ontstaat nieuwe twijfel, ook in het bedrijfsleven. Men erkent de politieke ratio van de EMU, de Europese verankering van Duitsland en het belang van verdieping vóór de uitbreiding, maar men wil terecht zo veel mogelijk zekerheid en stabiliteit.

Daar is het toch ook steeds om begonnen: de EMU als bekroning van de interne markt, als slotakkoord van het Europese Monetaire Stelsel en, sinds 1992 meer dan ooit, als definitief antwoord op de schokken op de financiële markten. Anders dan voor de buitenlandse politiek gold en geldt voor de EMU het devies: stabiliteit door méér integratie. Daarover waren de Duitsers, de Fransen en de overige continentalen en de Ieren het in Maastricht eens.

In Duitse (en Nederlandse) visie moet dit ideaal door een gelijkgerichte stabiliteitscultuur worden gedragen. Problemen ontstaan wanneer het debat in puur politiek vaarwater terecht komt. In Duitsland wil men onder geen voorwaarde een Währungsreform. Elders is de publieke opinie gelukkig overwegend voor de euro, maar tegelijkertijd worden de ingrepen in de verzorgingsstaat aan Europa toegeschreven.

De herinrichting hiervan is in Nederland vanaf 1982 in gang gezet. Het is een lange mars, die ondanks het veel geroemde 'Nederlandse model' nog niet is beëindigd. Dit proces zal elders dus ook de nodige tijd vergen. In Italië en Spanje roept de ambitie om tot de eerste ronde van de EMU te worden toegelaten de sensatie van een spannende voetbalmatch op. Dit getuigt van een optimistische levensvisie, maar is dit wat ons met stabiliteitscultuur voor ogen staat?

In november 1992 is in het parlementaire debat over het Verdrag van Maastricht in een nagenoeg lege vergaderzaal en zonder dat in de verre omtrek een verontruste econoom was te bekennen een amendement van Melkert, Van Iersel en anderen aangenomen. Daarin wordt de kabinetsbeslissing tot inwerkingtreding van de EMU voor Nederland afhankelijk gesteld van “gemeen overleg met de Staten-Generaal”.

Van de kant van het kabinet werd dit amendement met nauwelijks verholen achterdocht bekeken vanuit een houding van 'Heb vertrouwen, wij hebben het beste voor'. Maar dat trok niemand in twijfel. Waar het om ging, was in de eerste plaats dat het hier een superbelangrijke beslissing betreft, en in de tweede plaats dat verkeerde politieke compromissen een goede start van de EMU niet mogen frustreren. De Duitse Bondsdag had een soortgelijke opstelling ingenomen. Het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe deed er een tijdje daarna nog een schepje bovenop.

Inmiddels is flink vooruitgang geboekt in de versterking van het kader van de EMU. Door het stabiliteitspact is de toetreding tot de EMU niet langer een incident, maar tevens de erkenning van toetreden tot een stabiliteitsgemeenschap met alle discipline vandien. De relatie tussen de eerste groep EMU-leden en de verdere kandidaten is ingevuld. In het financiële beleid is de mate van Europese convergentie verrassend. Dit is allemaal goed nieuws, dat tegemoetkomt aan zorgen tijdens het debat in '92. De zaak stond toen immers nog nauwelijks in de steigers.

Maar de kou is nog niet uit de lucht. De macht en de machtsdeling blijven op de agenda. Er is nu forse kritiek van Duitse zijde en van Duisenberg over onwilligheid van Parijs om het Verdrag van Maastricht naar letter en geest uit te voeren, hoezeer ook juist een stabiliteitsbeleid sinds 1983 in Frankrijk zijn vruchten heeft afgeworpen. Of men het wil of niet, er mag niet worden getornd aan het nauw omschreven zelfstandig mandaat van de Europese Centrale Bank noch aan de onafhankelijkheid van het bankbestuur door het invoeren van intergouvernementele arrangementen.

Een tweede kwestie is de samenstelling van de 'voortrekkersgroep'. Hier komt de vraag naar de stabiliteitscultuur op tafel. Er is in Zuid-Europa grote vooruitgang geboekt, maar is deze al in '98 ver genoeg gevorderd voor toetreding tot een geloofwaardige EMU met een sterke identiteit binnen en buiten de Europese Unie? Het hele integratieproces is hiermee gemoeid. Er ontstaan grote problemen, wanneer voornamelijk prestige en niet de geloofwaardigheid centraal zou staan bij de moeilijke afweging, wie meteen meedoet vanaf januari 1999.

Beide kwesties tonen hoe kwetsbaar de EU institutioneel nog steeds is en hoe politieke culturen blijven doorwerken. Er is een grote impuls uitgegaan van het Verdrag van Maastricht, omdát het, in tegenstelling tot de suggesties van Bolkestein, door de economen van het Monetair Comité en van de Centrale Banken zo nauwgezet is voorbereid. De politieke datum van 1999 heeft tot dusver zijn effect niet gemist.

Maar tradities zijn taai. Nationale bureaucratieën en belangenpatronen laten zich niet zomaar wegspelen. Wegens mogelijk ongewenste politieke invloeden ontstaan vraagtekens rond de stabiliteitsraad van de ministers van Financiën. De roep om subsidiariteit is lang niet altijd verenigbaar met de nieuwe financieel-economische ordening. De EMU omvat naast de M ook de E van economisch beleid. Die E is te lang buiten beeld gebleven.

Ik vrees dat marktwerking en beleidsconcurrentie in het huidige Europa ontoereikend zijn. Een weliswaar beperkt, maar in ieder geval effectief centraal gezag in Europa als tegenspeler van nationale overheden en belangen zal nodig zijn. Geleidelijk aan komt de invulling van de economisch-politieke ordening hoger op de EU-agenda, onder meer in het pleidooi voor fiscale coördinatie. Agressieve of protectionistisch gekleurde fiscale concurrentie is kennelijk niet de panacee voor het bereiken van een level playing field, dat voor het functioneren van de binnenmarkt onmisbaar is. Soms ook zal men liberalisatie door regulering moeten afdwingen.

Gelijktijdig zien we dat (met name in de grote landen) nationaal gerichte herstructureringen in het bedrijfsleven worden doorgevoerd. Let in dit verband op het proces van privatisering, waarmee soms nieuwe monopoloïde structuren dreigen, al dan niet met staatsbemoeienis.

In strategische financiële en industriële sectoren staan de landen helaas nog steeds tamelijk gesloten naast elkaar. De EMU beoogt dat patroon te doorbreken. Dat doel betekent dat de noodzaak van het kweken van vertrouwen voor de start van de EMU met een homogene groep in 1999. Dat is nodig voor evenwichtige groei en werk.

De Duitsers zijn nu hun positie aan het markeren. Naast het krachtige geluid van de monetaire autoriteiten, dat in Frankrijk gelukkig ook ínstemming oproept, laat de Bondsregering zich bij monde van de bewindslieden van Financiën evenmin onbetuigd. In dit koor heeft een ondersteunende stem van Nederlandse zijde uit eigen en uit Europees belang een eigen positieve functie. In eigen land zal op korte termijn werkelijk ernst moeten worden gemaakt met de publieksvoorlichting, waaraan ook de overheid herkenbaar moet deelnemen. Wat dit laatste betreft staat Nederland in Europa achteraan.

Voor het vertrouwen bij ondernemers en burgers is daarnaast op niet al te lange termijn opnieuw een duidelijk politiek commitment wenselijk, het liefst van de Europese Raad zelf, over de relatie tussen stabiliteitscultuur, duurzame groei en werk, en over het institutionele kader in Europa, dat daarbij hoort. Er is grote vooruitgang geboekt, maar bij gebrek aan klare taal worden onzekerheid en verontrusting gevoed. Daar is in dit vergevorderde stadium niemand mee gediend, en wel allerminst het hart van de zaak, de euro zelf.