'Het vrouwtje blijft bij haar moeder, het mannetje lummelt rond'; Een kwart eeuw tussen de orang-oetans op Borneo

Biruté Galdikas verbleef lang tussen de orang-oetans op Borneo (Kalimantan), maar niet lang genoeg. 'Er zijn nog enkele vragen niet beantwoord.'

Biruté M.F. Galdikas: 'De spiegel van het paradijs. Mijn jaren bij de orang-oetans van Borneo.' Vertaling van: Reflections of Eden. Uitg. Atlas, 527 blz., geïllustreerd, ƒ 49,90.

EEN FOTOGRAAF drukt onder het tl-licht van een vergaderzaal Biruté Galdikas een pluche orang-oetan in de armen. Dit moet een een Hollandse versie worden van de beroemde fotoserie die het maandblad National Geographic ooit van de jonge orang-oetanonderzoekster publiceerde. Op die foto's stond ze in een stomend regenwoud tussen de mensapen. Galdikas was even in Nederland om de vertaling van haar boek 'Reflections of Eden' te promoten. En om via de Nederlandse organisatie Wolftrail betalende ecotoeristen te ronselen. Die mogen enige weken meedraaien in haar rehabilitatieprogramma voor in beslag genomen orang-oetanjongen, die als huisdier gehouden werden.

Galdikas heeft wilde orang-oetans in Indonesisch Borneo meer dan vijfentwintig jaar bestudeerd. “Wat mij als adolescent fascineerde is dat orang-oetans oogwit hebben rond hun iris. Dat geeft ze een bevreemdend menselijk uiterlijk, sterker dan chimpansees of gorilla's dat hebben. Maar er zijn intrigerende wetenschappelijke vragen bijgekomen. Er is wel gezegd: dieren hebben levens-cycli, alleen mensen hebben biografieën. Maar er zit bijna evenveel variatie in de levensverhalen van de grote mensapen als in die van mensen.”

Camp Leaky is het hoofdkamp in haar studiegebied, dat bijna vijftig vierkante kilometer beslaat van het Nationale Park Tanjung Puting en dat er vooral dankzij haar inzet kwam. Mangrove-moeras gaat er over in tropisch moerasbos. Galdikas doet in haar boek nogal luchtig over de vele infectiebronnen en bloedzuigers, maar het was bepaald geen eenvoudig werkterrein. De orang-oetan bleek een moeilijk te bestuderen soort. Net als chimpansee-onderzoekster Jane Goodall en berggorilla-onderzoekster Dian Fossey, die een werkterrein in Afrika kregen toebedeeld, werd Galdikas destijds door de Britse antropoloog Louis Leaky erop uitgestuurd. De oorsprong van de mens was volgens hem goed te onderzoeken aan de hand van de leefwijze van mensapen.

Goodall heeft later eens opgemerkt Galdikas niet te benijden: het kostte Galdikas een jaar om het aantal gegevens over sociaal gedrag te verzamelen dat zij bij de chimpansees in Gombe in één dag waarnam. De hoogst intelligente, schijnbaar stoïcijnse mensapen zijn wat eenzelvig. Daarnaast moest Galdikas permanent het hoofd in de nek leggen om maar iets te kunnen zien van de dieren in de boomkruinen. “Ik heb inderdaad heel wat pijn in mijn nek gehad. In het begin lag ik regelmatig op de bosbodem, op mijn regenmantel, om recht omhoog te kunnen kijken. Achteraf had ik geluk dat ik, anders dan voorgaande onderzoekers, het studiegebied in het laagland koos, in de kustmoerassen. Als je naar het huidige favoriete leefgebied van orang-oetans kijkt op Sumatra en Borneo, is het duidelijk dat het dieren van het laagland zijn. Vreemd genoeg is ook het zuidelijke deel van Oost-Borneo orang-oetanvrij, niemand weet waarom.”

SIAMANGS

Vóór Galdikas hadden onderzoekers al vastgesteld dat orang-oetans in één opzicht sterk verschillen van de Afrikaanse mensapen, de kleinere mensapen, de gibbons en siamangs van Zuidoost-Azië en zelfs van de meeste hogere primaten: de meeste tijd brengen ze alleen door. Haar naar eigen zeggen honderdduizend observatie-uren hebben de overwegend solitaire aard van deze mensapen bevestigd. “Een volwassen vrouwtje brengt ongeveer 20 percent van haar tijd met andere orang-oetans door; volwassen mannen minder dan 5 procent. En als je de consorte-perioden, het volgen van een vruchtbaar vrouwtje, buiten beschouwing laat, is dat zelfs minder dan 0,01 procent. Wat ik ook heb vastgesteld: orang-oetans hebben de meest intense moeder-kindrelatie van alle zoogdiersoorten, de mens zelf mogelijk uitgezonderd. Wilde orang-oetans brengen de eerste acht tot negen jaar door met hun moeder. Tijdens de eerste vier of vijf jaar draagt de moeder haar kind altijd wanneer ze van boom tot boom beweegt. Pas in het vijfde levensjaar begint het kind haar zelfstandig te volgen. En een jong dier wordt niet gespeend voordat het zes of zeven jaar oud is.”

De jongen krijgen een goede botanische kennis aangereikt. De moeders maken hun jong langdurig wegwijs in het bos met zijn, afhankelijk van vruchtdragende bomen, sterk fluctuerende voedselaanbod. Galdikas: “Strikt genomen zijn ze planten- en vruchteneters. Maar ze gebruiken zo'n variëteit alleen al aan vruchten, dat je ze omnivoor zou kunnen noemen. Ik heb zeker vierhonderd voedseltypen geteld.”

Hoewel zij niet zelden werd bekogeld met zware, losgerukte boomtakken slaagde Galdikas erin zich vertrouwd te maken bij verscheidene exemplaren. In haar onderzoek en in haar boek concentreert zij zich op die individuele levensgeschiedenissen, in sommige gevallen vanaf de geboorte. Vanaf de leeftijd van acht, negen jaar beginnen die van mannelijke en vrouwelijke orang-oetans uiteen te lopen. De moeders lijken hun vrouwelijke nakomelingen veel meer te tolereren dan hun mannelijke. Een jong vrouwtje zal een leefgebied uitzetten naast dat van haar moeder of dat gebied overlappend. In Tanjung Puting is zo'n leefgebied van vrouwen ongeveer tien vierkante kilometer. “We hebben daarin wel wat verschuivingen vastgelegd, maar in feite zal een vrouwelijk dier sterven in ongeveer het gebied waar haar moeder was geboren.”

Voor de mannen ligt dat heel anders. Orang-oetans vormen een sterk seksueel dimorfe soort; de mannen worden aanzienlijk zwaarder dan de vrouwen. “De mannelijke jongen groeien veel sneller. Wanneer die hun moeder verlaten maken ze een heel sociale periode door. Ze vormen groepjes met andere adolescenten. Dan krijg je 'gangs' van leeftijdgenoten, die letterlijk ergens in het bos rondhangen. Jonge mannen worden pas volwassen in hun late tienerjaren, of in het begin van de twintig. Er is variatie, net als bij menselijke mannen. Een adolescent vrouwtje zal pas haar eerste jong voortbrengen wanneer ze vijftien of zestien jaar oud is. Op diezelfde leeftijd is een mannetje groter, maar nog steeds onvolwassen. Hij verlaat zijn geboortegebied en begint rond te trekken, waarschijnlijk wel honderden kilometers.”

Een werkelijk volwassen mannelijk dier herken je direct aan zijn gezicht met grote wangflappen en een keelzak die tot de grootte van een strandbal kan worden opgeblazen. En aan de enorme afmeting, ze wegen tot honderdvijftig kilo. “In hun leefwijze is het ze vooral te doen om het krijgen van toegang tot vruchtbare vrouwelijke dieren. Heel belangrijk is dat we konden vaststellen dat het gemiddelde interval tussen opeenvolgende geboorten acht jaar bedraagt. Gezien dat enorme geboorte-interval zijn paringsbereide vrouwtjes zeldzaam - de mannelijke dieren proberen in een groot gebied elke kans te grijpen. Onvolwassen mannen zijn in menselijke termen vaak gewelddadige verkrachters wanneer ze willen paren. Zulke man-vrouwgevechten kunnen zeer ernstig zijn. Met volwassen mannen ligt dat anders. Vrouwtjes schijnen die werkelijk te mogen. Wanneer ze ontvankelijk zijn, zoeken ze het contact en ontstaat er een consorte-verhouding.”

Verwonding

De competitie om toegang te krijgen tot vrouwen is de spil waar het leven van de eenzelvige mannelijke orang-oetan om draait. En de aanleiding tot gevechten, van enkele minuten tot uren lang. Galdikas heeft er door de jaren heen vele kunnen waarnemen. “De ernst ervan kun je nauwelijks overschatten. Na afloop vind je bloed en uitgetrokken plukken haar op de bosbodem. Iedere middelbare orang-oetanman draag tekenen van vroegere verwonding, hij mist bijvoorbeeld een oog of enkele vingers. Ik heb twaalf van die directe conflicten waargenomen. Het is een onmiskenbaar voordeel van langlopend onderzoek. De onderzoeker die drie, vier jaar het veld in gaat, zou best eens verstoken kunnen blijven van een vechtpartij, omdat er toevallig geen vrouwtje paringsbereid was. Die komt met een heel ander beeld van het orang-oetanleven terug.”

De orang-oetans van Borneo worden intussen bedreigd door een volledige kaalkap die moet resulteren in de aanleg van grootschalige plantages. Daarnaast is er de handel in jonge orang-oetans als toekomstig huisdieren. Vooral in het welvarende Taiwan vinden die veel aftrek. Galdikas: “Dat is in feite een doodvonnis, ze worden hooguit enkele jaren oud. Enkele jaren geleden waren er alleen in Taiwan zo'n zevenhonderd.” Zij heeft zich ontpopt als voorvechtster van inbeslagneming en rehabilitatie van zulke orang-oetanjongen. “We hebben er meer dan tweehonderd gered. Nu proberen we al eerder uitgezette orang-oetans zulke baby's te laten adopteren en opvoeden.”

Terugplaatsen is mooi, maar soms is de natuur vol of al stevig bezet. In haar boek maakt Galdikas melding van periodieke hongersnood onder de orang-oetans in het onderzoeksgebied. Tweehonderd dieren in zo'n twintig jaar erbij, terwijl het bosoppervlak afneemt en het aantal mensaap-wezen dat op rehabilitatie wacht groeit. “Er zijn bij herintroductieprogramma's voor wilde dieren veel discussies geweest over de medische aspecten, de ecologische aspecten, het gedrag, maar het probleem is dat het niet uitmaakt wat je doet, als je geen bos heb. De natuurbescherming heeft als eerste drie regels: habitat, habitat en habitat. We hebben de Indonesische overheid gevraagd gebruik te mogen maken van enkele voormalige, deels gekapte concessiegebieden die op het punt staan volledig kaalgekapt te worden. Het is onrealistisch om primair regenwoud te vragen. Wat er nog is, is al ondergebracht in reservaten of ligt in ontoegankelijk bergachtig gebied dat voor orang-oetans ongeschikt is. We vragen ettelijke honderdduizenden hectaren. Gelukkig is er een niveau van bewustzijn ontstaan, ook bij de Indonesische regering, dat het de orang-oetan mogelijk maakt te overleven.”

Galdikas brengt nog steeds veel tijd in het bos door. Bijgestaan door Indonesische studenten volgt zij orang-oetans op hun levenspad, daarnaast onderzoekt zij het regenwoud. Van zo'n vijfduizend bomen wordt bijgehouden wat de vruchtopbrengst is en in hoeverre de mensapen er gebruik van maken. Orang-oetans beschikken over een fenomenaal geheugen; niet alleen houden zij de verspreiding van vruchtbomen bij, maar zij trekken ook conclusies over moeilijk voorspelbare vruchtopbrengsten. Als deze boomsoort nu vrucht draagt, zal die soortgenoot, elders in het gebied, dat wellicht óók doen. Weloverwogen klimmend gaan ze daarheen op weg, met een duidelijk doel voor ogen. Galdikas: “Wat mij op Kalimantan houdt, tussen de muskieten en bloedzuigers, is vooral de wetenschappelijke beloning. Ik heb sommige dieren nu meer dan twintig jaar gevolgd; Priscilla bijvoorbeeld loopt nu tegen de vijftig. Ik wil graag weten hoe die orang-oetanlevens verder uitpakken. Hoe oud worden ze in het wild? Hoe veel nakomelingen kunnen ze krijgen in de loop van hun leven? Hoe ver weg trekken de mannen? Die vragen zijn nog niet helemaal beantwoord.”