Edward Behr en de geschiedenis die historici negeren: 'Trots mag geen maatstaf zijn'

De Engelse journalist Edward Behr schreef boeken over de laatste Chinese keizer Pu Yi, over de Japanse keizer Hirohito en beschrijft in Prohibition: Thirteen Years that Changed America de Drooglegging als een groot maatschappelijk experiment. Een geschiedschrijver wil hij niet worden genoemd, wel een verteller van waargebeurde verhalen. 'Ik hoop dat ik als amateur iets op gang heb helpen brengen.'

'Prohibition: Thirteen Years that Changed America', uitg. Arcade, 1996, ƒ 56.

Op de vroege ochtend van 6 oktober 1927 gaf George Remus zijn chauffeur opdracht de taxi voor hen in te halen. In de taxi zat Remus' vrouw Imogene. Zij was onderweg naar de rechtbank van Cincinnati, waar hun scheiding zou worden uitgesproken. De chauffeur reed de taxi klem en Remus stapte uit, een pistool in de hand. Imogene riep: “For God's sake, don't do it!”, maar hij deed het, want terwijl hij in de gevangenis had gezeten was Imogene er met al zijn geld en een andere man vandoor gegaan. Zij stierf onderweg, nu niet naar de rechtbank maar naar het ziekenhuis.

Met deze ontknoping van het huwelijk van George en Imogene Remus begint het boek Prohibition: Thirteen Years that Changed America van de Engelse journalist en schrijver Edward Behr (70). Voor de BBC heeft hij er een driedelige tv-documentaire van gemaakt die in mei begint en in tien landen wordt uitgezonden. Naast zijn werk voor Time, de Saturday Evening Post en - sinds 1965 - Newsweek heeft Behr tien boeken geschreven.

Als schrijver paart Behr politiek gevoel en historische belangstelling aan grote gaven als raconteur. Hij werd bekend door een boek over zijn tragikomische ervaringen als oorlogscorrespondent met de wrange titel Anyone Here Been Raped and Speaks English? (1978). Een nog veel groter publiek bereikte zijn biografie van de laatste Chinese keizer Pu Yi, The Last Emperor (1988), die mede dankzij de bekendheid van Bertolucci's gelijknamige film (die met zes Oscars werd bekroond) in veertien talen werd vertaald. Verreweg zijn meest controversiële boek was Hirohito: Behind the Myth dat in 1988 verscheen, toevallig ook het jaar dat Hirohito overleed. Daarin komt Behr tot de conclusie dat de Japanse keizer - anders dan lang werd gepropageerd - tijdens de Tweede Wereldoorlog geen onschuldige, onwetende marionet van zijn generaals was, maar juist zeer betrokken bij de Japanse oorlogsvoering. Naar deze drie boeken zijn er ook films gemaakt; verder maakt hij met enige regelmaat documentaires voor de Britse en de Franse televisie.

Ladderzat

In de eetkamer van zijn Parijse appartement - eindeloze gangen, krakend parket - in het kalme achtste arrondissement vertelt Edward Behr ('Teddy Behr' voor intimi) dat er voor hem nauwelijks verschil bestaat tussen zijn journalistieke werk en zijn boeken. “Het verschil zit in de omvang en de hoeveelheid tijd, maar ze komen alle voort uit dezelfde belangstelling voor politiek en geschiedenis.” Soms genereert het ene boek het volgende. “Het onderzoek voor The Last Emperor wakkerde mijn belangstelling aan voor de oorlogsjaren in Azië: ik wilde meer weten over de werkelijke rol van Hirohito. En het idee om nu over de Drooglegging te schrijven ontstond terwijl ik bezig was aan een biografie van de zanger Maurice Chevalier. In 1927 zat hij een tijdje in Hollywood en schreef in brieven naar huis: 'Vreemd land, dit, drank is bij de wet verboden maar iedereen is voortdurend ladderzat.' Ik werd nieuwsgierig naar die tegenstrijdige periode in de Amerikaanse geschiedenis. Toen bleek dat in de jaren zestig voor het laatst over deProhibition was geschreven, en dan nog ging het over deelaspecten.”

Behr beschouwt zichzelf met nadruk niet als historicus, maar als verhalenverteller - “van waargebeurde verhalen, wel te verstaan”. In de ruim veertig jaar dat hij in de journalistiek zit heeft hij een langzame maar fundamentele verschuiving meegemaakt: journalisten van de gedrukte media hebben nu meer met historici gemeen dan met hun collega's van de televisie. “Door de snelheid van de tv moeten schrijvende journalisten zich veel meer op achtergrond en analyse toeleggen. Het bombardement aan nieuws wil niet zeggen dat mensen ook meer weten, of willen weten. En de televisie is gauw geneigd verhalen die zich niet makkelijk in beeld laten vertellen, te negeren.” Gelaten constateert hij dat wie op de televisie succes wil hebben jong moet zijn en moet beschikken over een zeker acteertalent. “Maar veel van de beste journalisten die ik ken zijn niet jong en niet aantrekkelijk en hebben geen acteertalent.” Behr is zich ervan bewust dat hij een van de weinigen is die zich vrij tussen de verschillende genres kan bewegen. “Als je nu 25 bent en je doet het goed op de tv, dan vind je het bladeren in archieven en het schrijven van boeken toch tijdverspilling?”

Een nieuwe Pontiac

Al snel nadat de Drooglegging in 1920 van kracht werd besloot George Remus, al advocaat van de onderwereld, zelf drankhandelaar - bootlegger - te worden. Binnen luttele maanden kon hij tienduizenden dollar per dag op zijn verschillende rekeningen bijschrijven en op zijn hoogtepunt had hij drieduizend man in dienst. De feesten van George en Imogene waren legendarisch. Zo gaven zij in juli 1923 naast hun zwembad van Olympisch formaat een partijtje voor honderd gasten, waarbij de heren diamanten dasspelden cadeau kregen en de dames ieder een nieuwe auto van Pontiac. “Remus was to bootlegging what Rockefeller was to oil”, schreef een krant met amper verholen bewondering in een serie over deze kersverse multimiljonair. Halverwege de Drooglegging, in 1926, was de drankhandel de grootste bedrijfstak van het land, met een omzet van vier miljard dollar per jaar.

Hoewel Remus de helft van zijn omzet aan smeergeld uitgaf liep hij in 1924 toch tegen de lamp. Dat belette hem niet om in stijl naar de gevangenis te reizen - in een eigen treinwagon, met een eigen kok en obers aan boord - en eenmaal in de gevangenis kon hij tegen betaling van duizend dollar per maand over een privé-suite beschikken. Daar maakte hij een kardinale fout: hij machtigde Imogene als zijn zaakwaarnemer.

De Drooglegging, die van 16 januari 1920 tot 5 december 1933 duurde, was volgens Coolidge, een van de drie presidenten van die periode, “het grootste maatschappelijke experiment aller tijden”. Hij had gelijk. De ontknoping van het huwelijk van George en Imogene Remus was slechts één van talloze persoonlijke tragedies die zich in deze bewogen jaren voltrokken. Alleen al in de eerste zeven jaar van de Drooglegging zijn er volgens het boek van Behr zo'n vijftigduizend mensen gestorven en honderdduizenden blind of verlamd geraakt door giftige brouwsels - om van de slachtoffers van het geweld van politie en de gangs onderling niet eens te spreken. In Chicago alleen al vonden er in vijf jaar tijd 136 bendeleden de dood. In slechts zes gevallen kwam het tot een rechtszaak; van de zes verdachten werden er vijf vrijgesproken.

De romantiek van Some Like It Hot en The Untouchables doet niets af aan het feit dat de Drooglegging een van de meest smoezelige en corrupte periodes was in de Amerikaanse geschiedenis. Tussen 1920 en 1930 werden er van de bijna 18.000 agenten van het 'Prohibition Bureau' bijna 12.000 ontslagen wegens het vermoeden van corruptie en nog eens een kleine 1.600 wegens bewezen corruptie. En zelfs burgemeester 'Big Bill' Thompson van Chicago was de bootleggers graag ter wille - tegen een redelijke vergoeding uiteraard. “Het was in deze tijd dat de georganiseerde misdaad vaste voet aan de grond kreeg in Amerika”, zegt Behr. “De onderwereld werd gesterkt in de overtuiging dat iedereen, van burgemeester tot diender, te koop was.”

Hebben historici daarom deze periode laten liggen? “Misschien. Bovendien waren de presidenten Harding en Coolidge van een tergende middelmatigheid. Het was kortom geen tijdperk om trots op te zijn, al mag dat voor een historicus natuurlijk geen maatstaf zijn.” Behr bespeurt overeenkomsten met Amerika's huidige war on drugs. “Achter beide schuilt hetzelfde naïeve geloof in de macht van de wet: als drank of drugs maar verboden zijn dan is er niets aan de hand. Was het maar zo simpel.”

Royal Gahrwal Rifles

Edward Behr werd in Parijs geboren als zoon van een Engelse vader en een Russische moeder. Hij ging in Parijs naar school, maar in 1940 werd hij als joods jongetje naar een particuliere school in Engeland gestuurd. “Na de middelbare school heb ik me aangemeld bij het Indian Army. Een schoolkameraad werd naar de kolenmijnen gestuurd - het was nog steeds oorlog - en dan leek India me een stuk aantrekkelijker.”

Na een zware opleiding bij het Britse leger, waarbij hij onder andere vloeiend Hindi leerde spreken, ging hij naar Peshawar, op de grens van Afghanistan en het huidige Pakistan. “Als inlichtingenofficier moest ik onder andere peilen hoe loyaal de lokale stammen waren aan de Britten, hoe groot de kans was op een Sovjet-inval in Afghanistan en hoe men zou reageren op Partition, de verdeling van India en Pakistan. Mijn bataljon heeft ook enige tijd doorgebracht in Padang, op Sumatra, waar we werden geacht de verslagen Japanse bezetters te ontwapenen. Dat lukte wonderwel, want zij waren met velen meer dan wij. Maar toen kwam de reactie van de Indonesische nationalisten, die ons als de voorhoede beschouwden van de Nederlandse koloniale machthebbers. Dat was een nasty little war.”

Op de buffetkast in de eetkamer staat, geklemd achter een foto van Behr in gesprek met Indira Gandhi, een groepsfoto uit april 1947: het Eerste Bataljon van de Royal Gahrwal Rifles. Behr - voor de foto even zonder bril - is een van de weinige blanke officieren, maar zegt nauwelijks enig raciaal ressentiment te hebben gevoeld. Met zijn duim veegt hij het stof van het glas en vertelt met zichtbare ontroering over zijn kameraden van toen. Bijvoorbeeld luitenant B.M. Bhattarjee, 'Batty' voor vrienden, die Engelse literatuur aan de universiteit van Calcutta had gestudeerd. Nog twee keer, in 1962 en 1970, zouden ze elkaar in oorlogssituaties tegenkomen, nu met Behr in de rol van chef de bureau in Delhi voor Time en later Newsweek en 'Batty' die het als Indiase generaal-majoor opnam tegen China en later Pakistan.

Als jonge kapitein al had Behr gezien, schrijft hij in Anyone Here, “dat onafhankelijkheid het subcontinent veel sneller zou bereiken dan de meeste mensen voor mogelijk hielden, en dat in de nasleep daarvan de Britse koninklijke traditie de weg kwijt zou raken en, binnen enkele jaren, iets lachwekkends zou worden”. Hij was zich er sterk van bewust, zegt hij ook nu, dat hij getuige was van history in the making. “Europa was in een wereldoorlog verwikkeld, op Sumatra en in India was het einde van het kolonialisme in zicht, het subcontinent beleefde de bloedige verdeling in het hindoeïstische India en het islamitische Pakistan. Die gebeurtenissen hebben mij doen besluiten journalist te worden. Na de oorlog heb ik geschiedenis aan de universiteit van Cambridge gestudeerd, maar ik wist al dat ik geen politicus was en ook geen academicus. Voor mij de vrijheid om vanaf de zijlijn de geschiedenis te observeren en daarvan verslag te doen.”

Heuvel 875

Hoewel Behr van diverse oorlogen en talloze schermutselingen getuige is geweest is hij, zegt hij, nooit bang geweest. “Het zal wel jeugdige overmoed zijn geweest, maar het kwam gewoon niet in me op dat ook míj iets zou kunnen overkomen. De enige keer dat ik me echt onveilig voelde, was op Heuvel 875 in Vietnam, toen de mortiergranaten met honderden tegelijk uit de lucht kwamen vallen.” In eenvoudig, bloedstollend proza beschrijft hij dat gevecht, hoe om hem heen de ene stevige infanterist na de andere aan flarden werd geschoten. Als hij in een krater wegduikt ontdekt hij na een paar minuten dat het hele terrein bezaaid is met stukjes mens, hompen vlees die een Vietnamese bil konden zijn - of een Amerikaanse schouder. In dat hoofdstuk vertelt hij ook wat zijn terugkerende nachtmerrie is: 'Ik ben alleen, midden op een enorm betonnen vliegveld, en het is van levensbelang dat ik wegkom. Maar ik ben zwaar door mijn rugzak en camera's. Ik ren en ik ren, maar terwijl ik met onwaarneembare traagheid vooruit kom sluit de C-130 zijn kaken en taxiet weg. Ik schreeuw en zwaai en spring op en neer, maar het vliegtuig stijgt op en laat me achter, met rode stof bedekt.'

“Toch”, zegt hij zo'n dertig jaar later, “ben ik nooit 's nachts gillend wakker geworden zoals sommige collega's. Misschien hielp het dat ik in Vietnam al wat ouder was en al bloed en lijken had gezien - Algerije, India, Sumatra.” Wel bleek zijn eerste huwelijk niet lang bestand tegen het wispelturige leven van een (oorlogs)correspondent. Sinds 1967 is Behr met de Française Christine getrouwd. “Zij heeft zich aangepast aan mijn leven, maar dat kan werkelijk niet makkelijk zijn geweest. Zij was kort na ons trouwen mee op reportage naar Sri Lanka toen midden in de nacht de telefoon ging: onze man in Saigon was vermoord en ik moest er onmiddellijk heen. Ik zie je over een paar dagen, zei ik, maar het werden zes maanden.” Op een stoel ligt toevallig - hij was net de kast aan het uitruimen, zegt hij - een zilverkleurige motorhelm uit zijn Vietnam-tijd met in knullig handgeschilderde rode letters erop: PRESSE.

Anyone Here Been Raped and Speaks English? beschouwde Behr niet als een therapeutische onderneming, maar als een luchthartige bloemlezing van de groteske èn grappige voorvallen die verslaggevers aan het front in hun nieuwsverhalen niet kwijt kunnen. De titel is ontleend aan een 'uitspraak' van een BBC-correspondent die in alle oprechtheid in een hal vol Belgische vluchtelingen in Kongo, een zegspersoon zocht die over hun lotgevallen kon vertellen. “Ik herinner me een tocht in 1970 in een groot C-130 transportvliegtuig van het Vietnamese leger. We waren met een groepje journalisten en militairen onderweg naar gevechten in het noorden. Onderweg raakte een 75 mm kanon los en ging door het ruim zweven, letterlijk een ongeleid projectiel, terwijl wij als idioten probeerden het tegen te houden. Ongeschonden kwamen we aan op de basis Khe San. Opgelucht liep een van de groep naar de bosrand om te urineren en beng! Hij stapt op een landmijn en verliest zijn voet. Gruwelijk natuurlijk, maar ook heel sterk humor noir.” Ook een soort humor noir was de rel die bij Behrs Amerikaanse uitgever over de titel ontstond: de vrouwen bij Viking dreigden te gaan staken als daar een boek met een dergelijke vrouwvijandige titel zou verschijnen. Ze kregen hun zin, het boek verscheen in Amerika als Bearings en heeft nauwelijks enige bekendheid gekregen. Tot mijn vreugde werd Viking kort daarna door Penguin overgenomen.”

De laatste eunuch

Het plan voor het boek en de film over de laatste keizer van China, Pu Yi, ontstond in 1984, toen Behr als redacteur cultuur van Newsweek in Cannes was voor het filmfestival. “Op de Croisette kwam ik Bertolucci en producent Jeremy Thomas tegen die me met veel geheimzinnig gedoe meetroonden naar hun hotelkamer in het Carlton. Zij waren al in onderhandeling met de Chinezen en vroegen of ik een boek over hem wilde maken. Ik vond het een prachtig idee, op voorwaarde dat het een serieus, zelfstandig project zou zijn en geen spin-off van de film. Wel had ik dankzij de film toegang tot allerlei mensen die China, het hof en Pu Yi zelf hadden gekend, zoals de laatste eunuch die aan het hof werkte.” Eén keer heeft Behr een beroep op de invloed van het filmbedrijf moeten doen. “Ik had gehoord dat een broer van de keizerin nog in leven was, wel oud en ziek, maar aanspreekbaar. De 'waakhond' die ons door de communistische partij was toegewezen, probeerde dat te verhinderen. Totdat producent Thomas tegen hem zei: 'U wilt toch zo graag mee bij het monteren van de film in Rome? Wees dan zo vriendelijk het vraaggesprek voor meneer Behr te regelen.' De communisten waren terecht bang geweest: die oude man vertelde van alles over Pu Yi, dat hij veel meer pro-Japans was dan men dacht, dat hij curieuze seksuele gewoonten er op na hield.”

Met zijn boek over Hirohito stelde Behr zichzelf een nog zwaardere taak: ons beeld van het verleden te corrigeren. “Ik ging op zoek naar materiaal waarvan ik alleen maar vermoedde dat het bestond, en ik vond het, gewoon op de planken in de openbare bibliotheek, maar nooit vertaald: dagboeken van Markies Kido en memoranda van Hirohito's stafchef Sugiyama, die zelfmoord pleegde in 1945. Iedere keer dat het onderwerp van Hirohito's betrokkenheid ter sprake kwam werd de inhoud van deze documenten over het hoofd gezien - met opzet, vermoed ik. Onder MacArthur, hoofd van de Amerikaanse bezettingsmacht in Japan na de oorlog, werd de mythe van Hirohito als een wereldvreemde diepzeebioloog gepropageerd en door de Japanners zelf maar al te graag in stand gehouden.

“Ik heb enorm veel hulp gehad bij het zoeken en vertalen van materiaal van jonge Japanse historici. Ze waren zo hulpvaardig dat ik op een gegeven moment vroeg: waarom. 'Wij willen graag dat dit boek geschreven wordt', zeiden ze, 'maar wij kunnen het niet doen: het onderwerp is nog steeds taboe.' Er was een Japanse uitgever bereid het uit te geven, maar zodra hij het plan aankondigde werd hij zo bedreigd dat hij zich heeft teruggetrokken.”

Bij het uitzenden van de film, en al vóór het verschijnen van het boek, barstte een hevige controverse los. In deze krant deed Rudy Kousbroek de film af als 'boerenbedrog'; de Amerikaanse schrijver John Dower vond Behrs observaties fris en intelligent, maar zijn bronnen “dun en soms onbetrouwbaar”; bij het redresseren van het evenwicht zou hij te ver naar de andere kant zijn doorgeslagen. Behr bestrijdt dat nog steeds fel: “Het zijn geen veronderstellingen die ik in dit boek poneer, het zijn gefundeerde argumenten. Eeuwenlang hebben alle hoge ambtenaren in Japan alles op papier genoteerd, vaak gaven ze gesprekken zelfs letterlijk weer, ook met de keizer. Daaruit blijkt dat hij álles wist. Als een schoolmeester overhoorde hij zijn generaals over hun plannen.”

Sinds het verschijnen van het boek in 1989 is in Japan zelf de houding tegenover de keizer veranderd. Nu zijn verscheidene historici met het onderwerp bezig, en twee jaar geleden verscheen zijn boek in vertaling, zonder coupures. “Ik hoop dat ik als amateur iets op gang heb helpen brengen.” Helaas zijn de keizerlijke archieven nog altijd achter slot en grendel, ook voor Japanse historici. “Totdat die ooit vrijkomen, of er zoiets als een Wet Openbaarheid van Bestuur in Japan komt, zullen er grote grijze gebieden openblijven.”

Azië blijft trekken: samen met een Franse journalist heeft Behr onlangs een boek over Hongkong voltooid, en met de BBC gaat hij binnenkort naar India voor een programma over de opdeling van het subcontinent, in augustus vijftig jaar geleden. Daarnaast is hij bezig, voor het eerst sinds het verschijnen van zijn politieke thriller Getting Even in 1981, aan een roman. Het wordt een “zachtzinnige sociale satire”, meer wil hij er nog niet over zeggen. Moeilijk vindt hij het, “want iets verzinnen is veel meer werk dan de feiten opschrijven”.