Dreigt het verenigd avontuur zich tegen ons te keren? Europaniek

'Europa' was goed, vonden de politieke elites. Althans, tot voor kort. Na de Britten vreest nu ook het continent de eenwording. Met nog vier maanden te gaan naar de top in Amsterdam en een klein jaar vóór de beslissing over deelname aan de EMU neemt de nervositeit toe. Van Euroforie naar Eurofobie.

Als Robert Pickford, een jonge laboratorium-medewerker bij een van de grootste komkommerkwekers in Engeland, zijn labjassen niet graag licht gesteven had gedragen, zou het idee nooit zijn geboren. Pickford zon al geruime tijd op een milieuvriendelijke methode voor verdelging van die plaag die elke kasbezitter teistert: de witte vlieg. De stijfselspuitbus van zijn vrouw bracht hem op een idee en een suggestie van zijn moeder hielp ook nog een handje. Waarom geen ouderwets aardappelmeelstijfsel gebruikt om de larven van de witte vlieg op te sluiten in hun omhulsel?

Pickfords werkgever, Humber Growers, was opgetogen. Zo succesvol bleek de oplossing dat er in kwekerskringen bepaald opwinding ontstond. Humber Growers riep een bedrijf van buiten, Aquaspersions, te hulp: samen investeerden ze 400.000 pond om de vinding voor verkoop geschikt te maken. “Hugtite” doorstond elke test bij het patenteringsbureau en bij het Britse Pesticides Safety Directorate. Het chemische bedrijf Levington maakte zich op om de nieuwe vinding op 1 januari 1995 op de markt te brengen. Geraamd verkoopcijfer voor het eerste jaar: 1 miljoen pond.

Toen viel de klap. Er was, zeiden Britse ambtenaren, een nieuwe EG-richtlijn (nr 91/414 “inzake het op de markt brengen van plantenbeschermingsprodukten”) die vereiste dat het produkt opnieuw getest en beproefd zou moeten worden. Dat zou ten minste drie jaar duren en kosten van 250.000 pond met zich meebrengen. Onder EG-regelgeving was aardappelmeel een nieuwe en onbeproefde “actieve substantie”. Het hielp niets dat de producenten aanvoerden dat we elke dag aardappelmeel eten in soepen en sauzen, dat het in miljoenen huishoudens als hét bindmiddel op de plank staat, en dat het miljarden enveloppen vastplakt die met de tong worden afgelikt. Regel was regel: het aardappelmeelstijfsel moest worden beschouwd als een potentieel gevaarlijk chemisch produkt en als zodanig proefondervindelijk onschadelijk worden bevonden.

Levington gaf de strijd op, Humber Growers en Aquaspersions bleven met de rekening zitten voor een ingenieus produkt, dat iedereen wilde hebben, dat miljoenen winst had kunnen opleveren en dat nu op de vuilnishoop terechtkwam. Toen de ondernemers protesteerden bij hun Lagerhuisvertegenwoordigers, waren die diep onder de indruk. Maar iets doen konden ze niet, want tegen regelgeving uit Brussel, zeggen Christopher Booker en Richard North, de auteurs van The castle of lies, een boek vol met dit soort horror stories, is kennelijk geen protest mogelijk.

Slachtoffers van Europa', het is een term die in het Verenigd Koninkrijk dagelijks en zonder verder nadenken wordt gebruikt. Op het continent heeft dat lange tijd anders gelegen: 'Europa' was goed, vonden de politieke elites, en hun politieke achterban volgde hen zonder al te veel vragen te stellen. Tot voor kort, want voor het eerst houden velen op het vasteland van de Unie rekening met de mogelijkheid dat ook zij wel eens 'slachtoffers van Europa' zouden kunnen worden. Met nog zo'n vier maanden te gaan vóór de top van Amsterdam - gedoodverfd als 'Maastricht II' - en een klein jaar vóór de beslissing over deelname aan de economische en monetaire unie (EMU), manifesteert zich allerwege in Europa toenemende nervositeit over de haalbaarheid van het avontuur en zijn mogelijk negatieve gevolgen.

In Helmut Kohls Duitsland, bij uitstek aandrijver van een hechter Europa, bulldozerde tot nu toe de kanselier zelf over elke mogelijke verontrusting ten aanzien van Europa en de gemeenschappelijke munt (de euro) heen. Maar sinds twee weken geleden bekend werd hoe dramatisch de werkloosheid in Duitsland is toegenomen en welke gevolgen die zal hebben voor het overheidstekort (zodat zelfs diskwalificatie voor EMU dreigt), schrijven Duitse commentatoren openlijk over “de laatste stuiptrekkingen” van “het systeem-Kohl” - en daarmee over het mogelijke vertrek van Kohl zelf. In landen als Frankrijk, Denemarken en Ierland, waar eerder al een referendum over het Verdrag van Maastricht (1992) plaatshad, woedt het debat voort, vooral daar waar de meerderheid voor het verdrag klein was.

En zelfs in het van oudsher Eurodociele Nederland klinken de eerste piepjes van protest. VVD-leider Bolkestein wordt nog steeds door een groot aantal van zijn partijgenoten teruggefloten wanneer hij oproept niet automatisch mee te doen aan een mogelijk zachte euro. Maar in de achterban van de PvdA begint nu ook de scepsis een stem te krijgen. Daarbij zegt een groep Nederlandse economen een nieuw debat over de muntunie te wensen. Die komt “een generatie te vroeg” en kan in de huidige structuur leiden tot hoge werkloosheid, een gedwongen verlaging van lonen en ontmanteling van de overheidssector - met alle spanningen die dat binnen Europa zal opleveren.

Benadeeld worden door de Europese Unie, Nederland moet nog even wennen aan het idee. Het klein-rechtse Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) stond van oudsher op afstand van de grote politieke partijen en is daarom minder meegezogen in de consensus binnen de Nederlandse politieke elite dat 'Europa' per definitie goed was. Als iemand een scherp oog ontwikkeld zou moeten hebben voor 'slachtoffers van Europa', dan zou het Europa-woordvoerder en Kamerlid E. van Middelkoop (GPV) moeten zijn. Toch reageert hij verbijsterd als hij de term hoort. “Het hele concept is nieuw voor me. Slachtoffer - nee, en ik kan me ook niet herinneren dat ik er op bijeenkomsten in het land ooit één ben tegengekomen. Ik moet altijd eerst een half uur uitleggen wat Europa is! Het interesseert de gemiddelde burger niets.”

Bij het GPV - “wij zijn de nazaten van de kleine luyden van Abraham Kuyper, een smaldeel dat van de AR is losgeraakt, en hun wereld van de captains of industry is de onze niet” - heerste altijd ongeloof, zegt Van Middelkoop, dat “een Europa, zoals op papier gecreëerd, van de grond kon komen als een echte democratie”. “En rechtstreeks terug te voeren op Calvijn: in onze kring bestaat een vrij ontwikkeld wantrouwen tegen veel macht in weinig handen.” Niet zonder ironie: “Wij zijn allemaal zondige mensen tenslotte.”

“Europa”, zegt Van Middelkoop, “is in Nederland nooit werkelijk aan debat onderhevig geweest én altijd boven kritiek verheven gebleven, natuurlijk omdat we er hier tientallen jaren alleen maar beter van werden. Daarbij past het bij onze moralistisch-legalistische traditie om ons bij de afweging van de voors en tegens vast te bijten in de institutionele kant van Europa: het hoe en waarom van de institutionele hervormingen, van meerderheidsbesluit en wegen van de stemmen. Maar bovenal zijn we zo vóór, omdat we als Nederland op een toekomstig verenigd Europa ons eigen zelfbeeld projecteren: pacifiek, consensus gericht en vóór vrede en welvaart. Europa als het uitvergrote Nederland.”

Europa als één groot Nederland. Verklaart dat waarom er hier zo weinig werd gediscussieerd over de voor- en nadelen van een Europese Unie? Lag 'Europa' voor de politieke elite, braaf gevolgd door hun achterban, in het logische verlengde van Nederland zelf?

Richard Griffiths, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden, is een van de meest vooraanstaande geschiedschrijvers inzake de Europese Integratie. Als een van de eersten ploegde de Brit de dossiers door van de Nederlandse regering uit de jaren vijftig waarin de consequenties van een verenigd Europa voor Nederland op een rijtje werden gezet. Ook hij kwam tot de conclusie dat de regering door een Nederlandse bril naar Europa keek. Dat het Europa van de zes - en nu van de vijftien - lidstaten wel eens radicaal anders getoonzet zou kunnen blijken dan men in Den Haag gewend was, kwam bij weinigen op.

Zo geloofde Nederland dat meningsverschillen tussen de partners in het nieuwe Europa vreedzaam opgelost zouden worden, zoals het beschaafde lieden betaamt. Griffiths: “Nederland had niet helemaal voorzien dat het Frankrijk en Duitsland in combinatie zouden zijn die in de praktijk bij de andere partners doordrukten, wat zij vonden dat er moest gebeuren. Daarom was er ook in het denken van het Nederlandse kabinet over het Verdrag van Rome (in 1957: de grondslag van de EEG, red.) plaats voor een supranationaal element: dit laten we over voor de EEG zelf, dan heeft ze iets te doen en dan kan de EEG boven de partijen staan en juiste, gezonde beslissingen nemen. En met juiste, gezonde beslissingen bedoelde men dan: beslissingen zoals Nederland die zelf ook zou nemen.”

Hoe nationaal het Nederlandse perspectief op Europa was, bleek wel uit de houding van Den Haag met betrekking tot de toetreding van het Verenigd Koninkrijk. Nederland wilde graag dat het Verenigd Koninkrijk zou toetreden. De Europese markt kon immers niet groot genoeg zijn, en dat het Verenigd Koninkrijk anders tegen Europa zou kunnen aankijken dan Nederland zelf, kwam bij weinigen op. Britten waren beschaafd, juist zoals 'wij Nederlanders' dat waren.

Aan de overkant van de Noordzee intussen smeedde de Conservatieve premier Harold Macmillan plannen om zijn partij, tegen de gangbare sentimenten in, warm te krijgen voor toetreding tot Europa. Niet omdat hij geloofde in enige, boven de staten uittorenende supernationale constructie zoals Nederland dat deed. In een notitie van een Europa-overleg in 1959 op Chequers, het buitengoed van Britse premiers, trof Griffiths de volgende uitlating van Macmillan aan: “Supranationalisme is een idee dat is voorbehouden aan de joden, de strategen en het oude kosmopolitische element.” “Nee, op het vasteland van Europa werd”, zegt Griffiths, “big power politics gespeeld. En dáár moest Engeland bij wezen.”

Mooie idealen over een toekomst van vrede en veiligheid, net na de Tweede Wereldoorlog hadden veel Europese politici er hun mond van vol. “Nooit meer oorlog tussen Frankrijk en Duitsland”, zei minister van Buitenlandse Zaken Schuman toen hij in 1950 zijn plannen voor een kolen- en staalgemeenschap presenteerde. “Europa is voor altijd veranderd”, schreef de Nederlandse regering aan de Tweede Kamer toen het Verdrag van Rome in 1957 moest worden geratificeerd. In de huidige onrust over de invoering van de eenheidsmunt valt het op hoe weinig meer naar de idealen van vroeger wordt verwezen. Het gaat om banen en het gaat om geld, de vredesduif van vroeger lijkt naar elders te zijn gevlogen.

Zelfs in Duitsland is dat het geval. De historicus Wilfried Loth, hoogleraar aan de universiteit van Essen, deed jarenlang onderzoek naar de houding van de Duitse regering en de bevolking met betrekking tot de Europese integratie. Volgens hem laat de huidige discussie in Duitsland over de EMU zien hoe groot de kloof tussen de politieke elite en haar achterban in Duitsland is geworden. “Nu pas blijkt dat het grootste gedeelte van de Duitse bevolking de D-mark als oorzaak van zijn naoorlogse welvaart ziet, en niet een Verenigd Europa”, zegt hij.

Hij vraagt zich af of die elite zich wel serieus rekenschap geeft van de signalen die uit de bevolking komen. Liggen beleidsmakers bijvoorbeeld wakker van enquêtes waaruit blijkt dat slechts een minderheid van de Duitsers gelooft dat de EMU in haar voordeel is? Loth: “Ik denk het niet. Duitsland wil hoe dan ook dat de EMU doorgaat. De vraagtekens van nu worden als iets tijdelijks beschouwd. Ze ebben weer weg, denkt die politieke elite.”

Volgens Loth, die zich in zijn boeken een gematigd voorstander van de Europese integratie toont, krijgt de politieke elite in Duitsland de rekening gepresenteerd van haar onvermogen om 'Europa' bij de bevolking aan de man te brengen. “In de jaren vijftig gaven opiniepeilingen aan dat een grote meerderheid van de bevolking in de Europese integratie geloofde. Maar als je doorvroeg, bleek dat er duidelijk grenzen waren aan dat geloof. Zo waren maar weinigen bereid om de hereniging van Duitsland op te geven voor 'Europa'. De elite kon denken dat de bevolking in 'Europa' geloofde, omdat lange tijd de Europese samenwerking niet echt het hart van het dagelijkse leven raakte. Dat is nu, bij de invoering van de economische en monetaire unie, wel het geval. Daarom blijkt nu pas hoe weinig 'Europa' nog in het hart van de mensen leeft.”

Juist met de te nemen beslissing over de monetaire eenwording in het nabije vooruitzicht, kristalliseert de hele discussie zich uit in termen die 'de bazen en de banken' gemakkelijker in het gehoor liggen dan de 'gewone burger'. Tenzij die gewone burger, als in Duitsland of Frankrijk of Italië, zijn baan verliest en zijn uitkering - met een verwijzing naar de begrotingstucht vereist voor deelname aan de EMU - ook nog omlaag ziet gaan. Dan is 'Europa' geen ver ideaal meer waar je af en toe mooie woorden over kunt prevelen, maar een directe bedreiging, een moloch die, als je niet oppast, ook een verwoestend spoor door jouw leven kan trekken.

In het van oudsher Eurodociele Nederland begint het wijd gevoelde onbehagen met 'Europa' zich pas nu schoorvoetend in een discussie om te zetten. Met de economie gaat het zo goed, dat vrijwel allerwege in het buitenland bewonderend gesproken wordt over 'het poldermodel'. Nederlanders zijn tot nu toe van 'Europa' vrijwel alleen maar beter geworden. Met een zorgelijk “Nederland wordt nettobetaler” hoef je bij de gemiddelde Nederlandse burger dan ook niet aan te komen. Zelfs bij de Nederlandse boeren, dringt het pas langzaam door dat hun koeien, jarenlang de best gesubsidieerde herkauwers van heel Europa, straks iets minder lucratief worden. Waar in Groot-Brittannië kaasmakers met hand en tand vechten om de merknaam 'Cheddar' veilig te stellen, en in Griekenland bijna opstand uitbreekt omdat de Denen 'fèta' op de markt denken te kunnen brengen, wordt bij het Nederlands Zuivelbureau gelijkmatig geconstateerd dat Goudse en Leidse kaas toch al nooit écht Gouds en Leids waren, maar alleen in Gouda en Leiden werden verhandeld. Dus eten wij, zonder morren, Gouda uit Duitsland en kopen we onze Edam in Polen in, indien hij daar een dubbeltje goedkoper is.

De ingeburgerde opvatting dat 'Europa' per definitie goed is, zit nog zo diep dat Consumentenbond en detailhandelsorganisaties voor het Euroloyale Nederland maar met één categorie burgers tevoorschijn kan komen die zich als 'Euroslachtoffer' kan afficheren: die van de schoenherstellers. R. Waldhober, secretaris van de Ondernemersunie in het Schoenambacht, denkt dat in de afgelopen twee jaar bijna een kwart van de schoenherstellersbranche buiten eigen schuld het loodje heeft gelegd. En dat de 3.000 schoenherstellers die er in Nederland nog over zijn, nu al proeven hoe burgers van een democratisch ontoereikend toegeruste 'superstaat' geen verhaal hebben.

Feit is dat harmonisatie van BTW-tarieven, een Euroverlangen dat nog niet overal gelijkelijk realiteit is geworden, de schoenreparatiebranche in Nederland in 1994 abrupt heeft opgezadeld met een BTW-tarief dat van 6 naar 17,5 procent ging. Niemand in Den Haag wil het toegeven, maar iemand heeft niet zitten opletten toen de verschillende Europese landen hun verzoeklijstje met uitzonderingen op dat tarief konden indienen. Toen de fout werd ontdekt, was het te laat. Hardnekkig actievoeren van de schoenherstellers heeft er wel voor gezorgd dat ze én staatssecretaris Vermeend én het Europarlement aan hun zijde hebben, maar de verantwoordelijke Eurocommissaris, Monti, weigert het uitzonderingslijstje open te breken uit angst voor een golf van andere claims.

“De schoenmakerij zát al in een dip”, zegt Waldhober, “met het modebeeld tegen - onverwoestbare DocMartens in plaats van naaldhakken - en import van zulk goedkoop schoeisel dat repareren niet de moeite waard leek, maar daarop kwam die BTW-verhoging als een doodsklap. Faillissementen, drama's... Al die tijd die wij hebben gestoken in het lobbyen, een Nederlandse regering die vindt dat wij naar 6 procent terugmoeten, een Europarlement dat er net zo over denkt en dan tóch gebeurt het niet. Dan denk je: wie zijn dat dan, die Eurocommissarissen die daar zijn neergezet? En door wie?”

Maar wie denkt er in Nederland aan de toekomst? In het Verenigd Koninkrijk wordt al jaren gediscussieerd over de lange-termijngevolgen van een muntunie, in Nederland lijkt het debat nog maar nauwelijks geopend. Neem de kwestie van de pensioenen. Er zijn aanwijzingen dat Europese lidstaten met een deugdelijk pensioensysteem straks zullen moeten meebetalen aan de pensioenen van landen, waar geen voorzieningen zijn getroffen voor een sterk vergrijzende bevolking. De Britse bankier Terry Smith, financieel analist bij Collins Stewart & Co., en inmiddels ook Lagerhuiskandidaat voor de fel anti-Europese Referendum Party, zegt dat regeringen op “het vasteland van Europa” bij de prognoses inzake hun staatsschuld, de uitkeringen, die ze aan hun bejaarde bevolking moeten gaan doen, verzwijgen. Voor de congresgangers van de Referendum Party trok hij de volgende vergelijking: “Neem aan dat u zuinig bent geweest en gespaard hebt voor uw oude dag, terwijl ik helemaal niets heb weggelegd en mijn inkomen gewoon heb uitgegeven. Nu komt het moment naderbij dat ik ophoud met werken, ik zie de bui hangen en ik stel voor dat u uw spaargeld met mij deelt. Als u denkt dat dat eerlijk is, dan zal ik straks graag nader met u kennismaken.”

Ook in een vraaggesprek met deze krant zei een gouverneur van de Amerikaanse Federal Bank, Lawrence Lindsey, op een vraag of landen aan elkaars pensioenen zullen moeten meebetalen: “Dat zal zeker gebeuren. Het is moeilijk te zien hoe het niet zal gebeuren.”

Maar probeer in Nederland uit te vinden hoe groot de onrust hierover is bij de pensioenfondsen en het lijkt of de materie volstrekt onbekend is. Een aantal woordvoerders heeft er “bij mijn weten nog nooit van gehoord”. J. van Niekerk heeft er wel van gehoord, maar hij vindt ingaan op bovengenoemde materie “speculeren en dat behoort niet tot onze taak”. Van Niekerk is de functionaris die door de gezamenlijke ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen is afgevaardigd naar het Nationaal Forum, het orgaan dat minister Zalm (Financiën) heeft ingesteld om de implicaties van de monetaire eenwording te bestuderen. Daarin is hij voorzitter van de projectgroep 'Euro'. Desondanks: ook op de gevreesde mindere waarde van de euro ten opzichte van de vroegere D-mark - en dan ook de gulden - wil hij niet ingaan.

“Wij zien best wel die discussies in andere landen en het is natuurlijk van groot belang, maar de regering hier zegt dat de euro hard wordt. Ik heb geen reden daaraan te twijfelen, de uitgangspositie is goed met een Europese Centrale Bank. Als de euro toch minder waard blijkt? Dan heeft dat belangrijke consequenties. Maar ons daarover buigen, is niet onze rol. De intentie is die van een harde euro.”

In een verenigd Europa zijn er alleen maar winnaars, dat is de riedel die in Nederland al sinds mensenheugenis wordt afgedraaid. Ze poetst elk mogelijk conflict tussen de Euro-droom en de democratische gedachte weg: je kunt je moeilijk uitspreken tegen iets wat in ieders belang hoort te zijn. Maar voor het eerst bestaat in Nederland het gevoel dat 'Europa' zich tegen ons kan keren. Kan dit wijdverspreide onbehagen een democratische dam opwerpen tegen de Eurovloed?

Jos de Beus, schrijver van het verkiezingsprogramma van de PvdA in 1994 en hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Groningen, is er somber over. “Europa is niet democratisch. Het Nederlandse parlement heeft weinig macht over veel, en het Europese parlement veel macht over weinig”, zegt hij. “De Nederlandse politieke elite wil, bij het doorzetten van verdere Europese integratie, de handen vrij houden. Hoor je Van Mierlo, de grote democraat, ooit nog over de democratische gedachte? Een referendum? Ze zijn als de dood voor een golf van nationalisme, dus het is niet bespreekbaar. De Europese droom en de democratische gedachte botsen met elkaar. Maar dat mag je in Nederland nooit zeggen en Kok en Zalm hebben ook absoluut geen zin om dat uit te leggen. Het is de verleiding van de macht. Het niet onder ogen durven komen van een publiek dat totaal ongeïnformeerd is. Voeg dat bij de traditionele lijdelijkheid van de Nederlandse bevolking en Nederland kan wel weg. Houd alleen de cultuur, iets meer Elfstedentocht en het is wel goed.

Het beeld dat politici hier verkopen van Europa is dat van “iedereen gaat winnen”. Als er twijfel wordt gezaaid, zoals bij een opiniepeiling, dan wordt dat meteen afgedaan met: de uitkomst berust op een foute vraagstelling. Als er een minimale opkomst is voor de Europese verkiezingen, dan is het alleen Bolkestein die bereid is dat ernstig te nemen.

Al die Europraat is schijn. Het verhult het komende verlies van Nederlandse onafhankelijkheid en het maakt de politieke aansprakelijkheid voor het Europese beleid een farce. Wat als de EMU een ramp wordt? Dan krijgen we hier in Nederland een soort economisch Srebrenica: niemand kan persoonlijk nagewezen worden, iedereen heeft het samen gedaan, we kunnen samen gaan zitten huilen. Zo hebben we hier immers ál onze naoorlogse echecs opgelost?''

In januari van dit jaar, toen het Nederlandse voorzitterschap van de EU een paar weken oud was, kwamen in Brussel de Europese ministers van Buitenlandse Zaken bijeen voor overleg. De Britse kranten stonder er vol van. De makers van het programma 'Europe Today' van de BBC World Service hadden met dit onderdeel hun nieuwsbulletin geopend. Maar toen ze een Nederlandse commentator vroegen hun luisteraars mee te delen wat de Nederlandse pers over deze belangrijke bijeenkomst schreef, was het antwoord: geen letter. Barney Price, eindredacteur voor Europe Today, vindt dat 'verbijsterend'. Hij heeft weinig op met de manier waarop in zijn eigen land de “Up Yours, Delors”-stijl van berichtgeving door een deel van de pers wordt gaande gehouden, maar hij steekt ook de hand in eigen boezem wanneer hij zegt: “Er is een enorm gebrek aan informatie over Europa en de diepgaande betekenis van economische, politieke, grondwettelijke en juridische veranderingen die voor de deur staan. De reacties die wij krijgen van luisteraars wijzen erop dat de burgers van Europa hunkeren naar meer informatie over het effect dat al deze veranderingen zal hebben op hun dagelijks leven. En die informatie wordt ze niet gegeven.”