Deja vu

Een doelman staat in het doel om de bal tegen te houden en daarna weer in het spel te brengen. Alleen dàt is zijn taak. Tegenwoordig wordt van hem ook verwacht dat hij kan meevoetballen.

Maar hij dient sober te spelen en zich te onthouden van artistieke invallen. Nederlandse doelmannen trekken zelden de aandacht: De Munck, Pieters Graafland, Van Beveren, Van Leeuwen en Van Breukelen; dan houdt het op wat betreft mannen die sierlijk zwevend naar de bal reikten. Ajax had ze nooit, op genoemde P.G., Wever en Menzo na. Wat spelers van Ajax aan kunstzinnigheid tonen staat ver boven het functionele werk van de Ajax-doelman. Wie een Ajax-doelman ziet, droomt van de Joegoslaven Radenkovic, Beara, Soskic en Pantelic, de Hongaar Grosics, de Spanjaarden Zamora en Ramallets, de Belgen Piot en Preud'homme, de Portugezen Costa Pereira en Baia, en vooral van Ladislao Mazurkiewicz, in de jaren zestig de doelman van Uruguay en de beste aller tijden genoemd. Hij pakte de bal met één hand (zonder handschoen) uit de lucht, sprong hoog als een balletdanser, zweefde net onder de lat van de ene paal naar de andere om de bal uit de kruising te plukken. Hij had de reflex van een ijshockeydoelman, gevoel voor schoonheid en hield van show. Waar is de tijd van egoïstische gekken die de aandacht trokken? In het verzakelijkte voetbal is de doelman oersaai: een trekpop.