De vroege radio

Het is een zomerochtend, zo vroeg dat je je er niet voor hoeft te generen nog in bed te liggen. Overal staan de ramen open. Ergens verderop heeft iemand de radio aangezet, met de nieuwsberichten.

Te zacht en te ver is de stem om er iets van te kunnen verstaan. Het kan in Amsterdam zijn, in Marseille, Denver, waar dan ook, want overal klinken de nieuwsberichten op een vroege morgen uit een verre radio hetzelfde. De stem die met ingehouden belangrijkheid over de gebeurtenissen vertelt, het verdrinken van 300 mensen in een ander werelddeel, het sneuvelen van 31 mensen in een niet eens zo ver land, het ruimen van 10.000 varkens in de aangrenzende provincie, de meubelfabriek om de hoek die is afgebrand. Zoiets zal het wel zijn. Het rommeledomblombom houdt niet op. Je denkt: Ik blijf in bed tot het nieuws is afgelopen. En dan opeens: Deze ochtend zou weleens die van Una giornata particolare kunnen worden.

Een prachtige film zoals ook de mensen weten die hem niet hebben gezien. Sophia Loren en Marcello Mastroianni, dat kan niet stuk, zeggen we de laatste jaren. Maar U.g.p. is vooral de film over de radio, de stem waarvan je weet dat die, onverstaanbaar, van ver, door het open raam, de oorlog aankondigt. De oorlog is begonnen met de stem uit de radio. Wie het was, Hitler, Colijn, Vas Diaz, daarna het licht-hysterische geluid van de BNO (Berichtendienst Nederlandse Omroep), Den Doolaard en de nieuwslezers van de BBC, Frank Phillips en Joseph McLeod, en ten slotte, na de Bevrijding de Amerikanen van de AFN met de eerste preventieve gezondheidsboodschappen: Remember, VD walks the street, penicillin fails, once in seven times. In die jaren, tussen 1933 en 1945, heeft de radio zich voorgoed gevestigd, als onverstaanbaar medium van onheilspellendheid, op mooie zomerochtenden. Zo heeft de regisseur van U.g.p., Ettore Scola, het apparaat gebruikt.

Heeft de televisie dit werk van de radio overgenomen? Daarover valt in deze tijd, die betrekkelijk schaars aan collectief onheil is, moeilijk te oordelen. Destijds werd de luisteraar aan het kastje bij de grote gebeurtenissen betrokken, of hij wilde of niet. In zijn dagboekje, bijgehouden in 1939, noteert Menno ter Braak dat men zich weer om de radio verzamelt.

Nu kijken we naar de televisie. Rampen, rellen, toestanden, de wereldgeschiedenis in wording. Maar hoort het publiek er zelf bij, zoals Scola het heeft laten zien? De radio mobiliseerde; de televisie maakt de kijker tot toeschouwer bij een film. Het beeld objectiveert, demobiliseert het publiek tot miljoenen leunstoelzitters, of in het weekeinde op z'n hoogst tot ramptoeristen. Lang hebben we gedacht dat de televisie altijd aanstekelijk werkt. “De aanblik van een oproer zet aan tot oproer”, schreef Jean-François Revel. Niet meer. De aanblik van een oproer zet aan tot het openen van nog een fles bier. Televisie is het antirevolutionaire medium.

Dit terzijde. Afgelopen week is er een boek verschenen, De Bezette Stad, (*) waarin bijzonder werk van jonge kunstenaars is verzameld, hun reacties op het bezettingsjaar 1944/45 in Amsterdam. Mij was gevraagd om ter gelegenheid daarvan wat te zeggen. Hoe roep je de oorlog op voor een publiek dat die vijf jaar alleen van horen zeggen heeft? In zekere zin werd het me gemakkelijk gemaakt. In New York had ik twee tentoonstellingen gezien waarin de oorlog zo direct mogelijk aanwezig is: die over het boek van Beate en Serge Klarsfeld, Franse kinderen van de Holocaust, bestaande uit de foto's van 2.500 kinderen die in nazikampen zijn vermoord, (in het boek met hun geschiedenis) en de andere over het werk van de Russische fotograaf Jevgeni Chaldei. Hij heeft de foto gemaakt waarop een paar soldaten van het Rode Leger hoog boven het verwoeste Berlijn de Sovjet-vlag op de Rijksdag hijsen. De twee tentoonstellingen samen vormen het sluitend verslag van de misdaad en de straf. Tot slot las ik een paar regels voor uit het gedicht van Willem Elsschot over Van der Lubbe, met de meest aangrijpende:

'Moog je geest in Leipzig spoken

'Tot je beulen zijn gewroken

'Tot ze allen, groot en klein

'Door de Rus vernietigd zijn.'

Zo is het dan ook, in Berlijn en in Leipzig gebeurd.

Later, op het Leidseplein staande, vroeg ik me af of ik wel duidelijk genoeg was geweest. Had ik niet beter over Una giornata particolare kunnen vertellen, en een verre radio op een vroege zomerochtend? Je weet het niet.

(*) De Bezette Stad, Uitgeverij De Balie/Sandberg Instituut.