De, neem me niet kwalijk, ezel

Van 'fascistische, barbaarse, boefachtige en ezelachtige methoden' gewaagde de grijze minister van Justitie Jannópoulos toen Griekse boeren opnieuw de autoweg Athene-Thessaloniki met hun tractoren dreigden te barricaderen.

Opmerkelijk genoeg was het alleen het laatste adjectief waar de boeren echt kwaad over werden. 'Fascistisch' is als scheldwoord zowat gedevalueerd, 'barbaren' zijn in Griekse ogen eigenlijk nog steeds alle niet-Grieken, 'boefachtig' klinkt nogal vlak. Maar ezelachtig...

Men ziet helaas niet zoveel echte ezels meer in de Griekse provincie - des te meer tractoren - en als men ze ziet is het een teken van achterblijven en armoede. Vroeger was een boerenfamilie er totaal op aangewezen. Toch werd de ezel zelden een trouwe vriend of kameraad, en als de ouderdom intrad werd het dier meestal op erg treurige wijze afgedankt.

Als scheldwoord voldeed 'ezel' zeer. En als je in het dagelijkse leven van 'ezel' sprak, moest je er 'neem me niet kwalijk' vóór zeggen, om je te verontschuldigen dat je het woord zomaar noemde. “Ik moet de, neem me niet kwalijk, de ezel even te eten geven”, hoor je nog steeds wel in de dorpen, maar in de steden kun je nu vrijmoedig over het dier spreken.

Daar worden nu ook op grote schaal allerlei inventieve ansichtkaarten van ezels aan de toeristen verkocht. Het is iets van de laatste tijd. Ik heb nog meegemaakt hoe een vriendin op de achterkant van een blanco briefkaart een ezel tekende en daarmee naar het postkantoortje stapte om hem te versturen. “Die kunnen we niet aannemen, die moet in een envelop”, zei de beambte. “Waarom dan?” vroeg mijn vriendin stomverbaasd. “Het is beledigend”, was het antwoord. “Voor wie dan?”

“Voor ons, de posterijen.”

Veel weerklank kreeg in Griekenland een verhaal van de Turkse Nasrettin Hotza, de dorpsleermeester, over wie talloze anekdotes de ronde doen waarin hij soms de wijze, dan weer de domme rol vervult. Een buurman komt vragen of hij de, neem me niet kwalijk, de ezel van de hotza mag lenen. “Die is er niet, die graast in het veld”, antwoordt de hotza, die geen vriend is van de buurman. Op dat moment begint de ezel, die achter het huis staat, te balken. “Je ezel is er wél”, zegt de buurman. Waarop de hotza, geërgerd: “Wie geloof je nu eigenlijk, mij of die ezel?”

Jannópoulos, zelf een legendarisch oud-verzetsman, heeft met zijn terminologie alle sympathie bij de oproerige boeren verspeeld. “Je bent zelf een ezel”, was de niet erg sprankelende jij-bak die aanvankelijk weerklonk. Maar allengs werden de reacties wat ludieker. De boeren begonnen, net als de geuzen ('bedelaars') in onze vaderlandse geschiedenis, de betiteling op te stoten tot een erenaam. Met een toch nog gevonden ezel en veel hooi op de vrachtwagens reden zij feestelijk door de landerijen, en de dieren werden daarbij geliefkoosd als nooit tevoren.

De minister had al deze reacties waarschijnlijk niet voorzien. “Ik heb niemand voor ezel uitgescholden”, verklaarde hij naar waarheid, maar het kwaad was al geschied. Een week later maakte de al even ongebreidelde minister van Landbouw, Tsomakas, dezelfde fout. Hij sprak van 'de meest achterlijke en anachronistische sectoren uit de agrarische wereld' (die nog steeds subsidies van de staat eisen, tegen het verbod van de EU in). “Een minister die een kwart van de bevolking achterlijk noemt, hoort op de vuilnisbelt thuis”, aldus prompt een boerenleider.