BORSTKANKER (4)

Twee artikelen in NRC Handelsblad (beide op 1 februari: een op de voorpagina van de krant en een in de bijlage W&O) geven duidelijk de standpunten weer over het Nederlandse bevolkingsonderzoek naar borstkanker, zoals deze onlangs in het 'European Journal of Cancer' zijn samengevat.

In het artikel 'Verborgen knobbeltje' in de wetenschapsbijlage worden enkele aantallen genoemd die niet met de Nederlandse situatie overeenkomen. Aan de invoering van het landelijke bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Nederland is een gedegen kosten-effectiviteits-analyse voorafgegaan, gebaseerd op de meer dan tien jaar ervaring in de twee Nederlandse proefprojecten in Utrecht en Nijmegen alsmede een uitvoerige analyse van buitenlandse resultaten. Hierbij werden ook de negatieve aspecten betrokken die helaas onlosmakelijk verbonden zijn aan een bevolkingsonderzoek. Zo is het niet mogelijk 'onnodige' verwijzingen voor nader onderzoek en 'onnodige' ingrepen aan de borst helemaal te voorkomen. Wel wordt er in Nederland naar gestreefd de aantallen zo laag mogelijk te houden voor continue scholing, kwaliteitsbewaking en evaluatie. Uit het in 1996 verschenen evaluatierapport over het bevolkingsonderzoek naar borstkanker in de periode 1990-1994 blijkt dat van de bijna 1,3 miljoen deelnemende vrouwen 14.150 (1,1% of 5.500 per 500.000 borstonderzoeken) voor aanvullende diagnostiek in het ziekenhuis zijn verwezen. Dit leidde bij 10.150 vrouwen tot een operatie waarbij een stukje borstweefsel werd verwijderd en tot de opsporing van 6.900 borstkankers. Bij 3.250 zou zodoende gesproken kunnen worden van een uiteindelijk minder noodzakelijke ingreep (1.300 per half miljoen borstonderzoeken). Deze resultaten komen overeen met de voorspellingen van de kosten-effectiviteits-analyse die aan de implementatie van het landelijke bevolkingsonderzoek ten grondslag lagen. In de internationale vergelijking is het Nederlandse verwijspercentage, dat elders inderdaad tot bijna 10 procent kan oplopen, opmerkelijk laag, zonder dat dit ten koste gaat van het aantal opgespoorde borstkankers. Ten slotte kan er nog op gewezen worden dat de participatiegraad met bijna 80 procent aanzienlijk hoger is dan de vooraf verwachte 70 procent. Dit duidt op een grote behoefte van de betrokken vrouwen naar een dergelijk onderzoek. Het zou ook kunnen betekenen dat veel vrouwen ervoor kiezen actief met (een latente angst voor) borstkanker om te gaan. Het is dan ook de vraag of aan deze behoefte voldoende tegemoetgekomen zou worden met slechts het advies regelmatig zelf de borsten te controleren.