Bolkestein brengt leven in de brouwerij

De fractievoorzitter van de VVD, Bolkestein poetst het dualisme weer op. Menno de Bruyne vindt dat een positieve ontwikkeling. Niet ieder verschil van mening tussen een minister en diens geestverwante fractie hoeft tot een confrontatie te leiden.

Zij die erbij waren, kunnen het zich nog levendig herinneren. Na in de Tweede Kamer zijn zwanenzang gezongen te hebben beende de liberale minister van Defensie Van Eekelen met een brok in z'n keel de zaal uit. Hulpeloos en wat schutterig poogde VVD-fractievoorzitter Voorhoeve hem nog een bemoedigende hand te reiken, maar het mocht niet meer baten. Van Eekelen had het vertrouwen van de VVD-fractie verloren - daarom ging hij. Zal dit tafereel zich volgende week herhalen, met dit keer in de hoofdrol een snikkende minister Voorhoeve?

VVD-fractievoorzitter Bolkestein munt uit in heldere standpunten. Bijvoorbeeld over het dualisme. Wij van de VVD, zo deed hij dinsdag den volke kond, wij van de VVD kunnen bogen op een rijke dualistische traditie. Aan die dualistische traditie ontleent de liberale voorman het recht om rond voor z'n mening uit te komen, ook als die mening afwijkt van die van het kabinet of van de coalitiepartners. En eerlijk is eerlijk, het 'Bolkisme' (met dank aan E. Jurgens) werkt. Niet alleen spint de VVD garen bij deze dualistische opstelling, ook het parlementaire debat is erdoor opgeleefd. Na de parlementaire dood in de pot onder Lubbers is dat een verademing.

Bolkestein beroemt zich, ook deze week weer, op z'n goede komaf. Dat recht heeft hij. Enkele gerenommeerde vertegenwoordigers van het liberalisme in Nederland hebben zich in het verleden principieel tot het dualisme bekend. Te noemen zijn de grote negentiende-eeuwse liberale staatsman Thorbecke en een van diens geestelijke nazaten, de staatsrechtkenner mr. P.J. Oud, de vrijzinnig-democraat die mede aan de wieg stond van de VVD. Beide volbloed liberalen geloofden heilig in de zegeningen van het dualistische stelsel, waarin Kamer en kabinet elkaars verantwoordelijkheden respecteren.

Dat neemt niet weg dat er bij Bolkesteins borstklopperij nog wel wat kanttekeningen te plaatsen zijn. Ten eerste dit. De dualisten van het zuiverste water stonden in de christelijk-historische en antirevolutionaire traditie. Ze hadden daar hun reden voor. Vanuit hun visie op de oorsprong en aard van het overheidsgezag ('Gods dienaresse') benadrukten ze sterk het dualistische adagium: regering regeer, Kamer controleer.

Oud-minister Zijlstra verhaalt daarover dat hij als jong ministertje best wel eens behoefte had aan overleg met 'zijn' fractievoorzitter Schouten. Daartoe nodigde hij hem uit op zijn departement, maar toen deze vernam waar het Zijlstra om te doen was, “spetterde hij plechtstatig tegen” met de woorden: “Excellentie, dat is niet goed. Wij hebben beiden onze eigen verantwoordelijkheden. U achter de regeringstafel en ik ervoor. Het klonk alsof hij een van de Tien Geboden opzegde.”

Bijna even recht in de leer was 'de oude' Willem Drees. Bolkestein had deze week gelijk toen hij in de richting van z'n collega Wallage stekelig opmerkte dat de PvdA meer monistisch is geörienteerd, maar de man die met het predikaat 'kampioen van het dualisme' ging strijken was toch Drees. Die was zo allergisch voor monistisch gekonkelefoes, dat hij er de voorkeur aan gaf om tussen de middag, als de ministers van PvdA-huize gezamenlijk met partijgenoten in een of ander Haags etablissement de lunch gingen gebruiken, op de fiets te stappen om thuis bij z'n vrouw in de Beeklaan een boterhammetje te gaan eten. Zuinigheid was echt niet Drees' enige motief!

En dan de rijke dualistische VVD-traditie. Die is er - althans zo af en toe. Het meest extreme VVD-voorbeeld van dualisme is dat van minister van Defensie uit het kabinet-De Quay (1959-1963) ir. S.H. Visser. Zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer werd hij door zijn partijgenoten 'afgemaakt'. Hij had volledig het vertrouwen van de VVD-voorlieden Oud en van Van Riel verloren, hem werd in de senaat zelfs openlijk aangeraden om op te stappen, maar hij bleef desondanks op z'n post. Dat leverde hem een pluim op van de dualist par excellence, CHU-fractievoorzitter Tilanus, die verklaarde de bewindsman om z'n standvastigheid te bewonderen.

Maar op dit voorbeeld van een schoon dualistisch verleden is nog wel het een en ander af te dingen. Wie het verleden van de VVD erop naslaat, zal zien dat het juist prominente liberalen zijn geweest die, als je hun opvatting en handelwijze legt naast de zuivere dualistische leer die Bolkestein nu predikt, aanleiding hebben gegeven tot de ergste ketterijen op staatkundig gebied.

Nog vers in het geheugen liggen de vreemde strapatsen van een van Bolkesteins meest spraakmakende voorgangers, Ed Nijpels. Weliswaar werd deze 'jonge VVD-hond' in 1989 mede door toedoen van Bolkestein getackeld, dat neemt niet weg dat de Nijpelianen nagenoeg tien jaar lang de toon aangaven in de VVD - en dat was allesbehalve een dualistisch toontje. Uit-en-te-na bezongen Nijpels en de zijnen de lof van het zogeheten 'strategisch monisme'. Zonder ook maar enig constitutioneel schaamtegevoel zaten tijdens Nijpels' bewind de 'VVD-bewindslieden' op schoot bij de VVD-fractie. Er werd geen kwaad woord gesproken over deze ongewenste staatsrechtelijke intimiteiten.

En wie mocht denken dat dit slechts een eenmalige, bedroevenswaardige breuk was met het geloof der liberale Oud-vaders, komt bedrogen uit. Duiken we in de staatkundige historie, dan stuiten we op de beroemde 'nacht van Stikker' (1951). Stikker, een van de oprichters van de VVD, was minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Drees. Een van de hete hangijzers in die dagen was de Nieuw-Guineakwestie. Stikker dacht daar anders over dan zijn eigen partij, de VVD.

De bom barstte toen de Tweede Kamerfractie van de VVD onder leiding van Oud een motie van afkeuring indiende tegen de Nieuw-Guineapolitiek van de regering. Daarmee kwam ook Stikker onder vuur te liggen. Binnenskamers had deze al laten weten dat een VVD-aanval op het kabinetsbeleid ernstige consequenties zou hebben. Toen Oud desondanks zijn mening en motie handhaafde, verklaarde Stikker op te zullen stappen, “... ook indien deze motie niet de meerderheid, maar wel de stemmen van de VVD zou krijgen.” Hij stelde dat een minister het vertrouwen dient te hebben van de partijen die het kabinet steunen, “en natuurlijk in de eerste plaats van diegenen die men gemeenlijk zijn politieke vrienden noemt (..) Het zal mij niet mogelijk zijn daarmee door te gaan, indien ik als politiek minister niet meer kan rekenen op het vertrouwen in mijn beleid van de politieke groep, waaruit ik voortkom.”

Het waren historische woorden. Wie de parlementaire geschiedenis nagaat, ziet namelijk dat deze 'Stikker-doctrine' school heeft gemaakt. Sinds 1951 wordt er bijna altijd wanneer een minister overhoop ligt met zijn eigen politieke partij, gerefereerd aan dit voorval. Zo in de trant van: wie het verbruid heeft bij z'n politieke geestverwanten, dient op te stappen; er mag geen licht schijnen tussen een minister en zijn politieke vrienden, die in de Kamerfractie van de eigen partij in het bijzonder.

Daarmee is aan de klassieke vertrouwensregel, die luidt dat een bewindsman dient op te stappen als hij het vertrouwen van de meerderheid van de Kamer heeft verloren, een venijnig vertrouwensregeltje toegevoegd, te weten de regel dat een bewindsman ook dient heen te gaan als hij niet op één lijn zit met zijn politieke vrienden. De slachtoffers van deze staatsrechtelijk discutabele 'vriendjespolitiek' liggen voor het oprapen: de staatssecretarissen Brokx (CDA), Van der Linden (CDA), Evenhuis (VVD) en Ter Veld (PvdA), alsmede de ministers Sidney van den Bergh (VVD) en Van Eekelen (ook VVD). Allemaal pakten ze hun biezen omdat hun gebleken was dat hun partij hen niet meer zag zitten.

Tot welke verkramptheid dit aanhangsel bij de oude vertrouwde vertrouwensregel heeft geleid, zien we al jaren. Ieder openlijk meningsverschil tussen een minister (of staatssecretaris) en zijn eigen partij wordt opgeblazen tot crisisproporties; achter bijna elk verschil van opvatting wordt een heuse kabinetscrisis vermoed, of tenminste een ministerscrisis. Niet zodra zegt een bewindsman iets anders dan zijn partijgenoten in de Kamer, of hij wordt geconfronteerd met bloeddorstige journalisten en stokende politici die hem herinneren aan de tijdelijkheid van zijn ministeriële leven: wat betekent dit voor uw positie? Bent u door de opstelling van uw eigen fractie niet zodanig verzwakt dat u eigenlijk moet aftreden?

De man die dit nu overkomt is de veelgeplaagde minister Voorhoeve van Defensie.Ongetwijfeld zullen zich volgende week, als de Kamer debatteert over het meningsverschil tussen de VVD-fractie en het kabinet over de uitbreiding van de NAVO, verschillende opgewonden woordvoerders en woordvoerdertjes bij de interruptiemicrofoons verdringen om Voorhoeve en Bolkestein tegen elkaar uit te spelen. Waar het dan op aankomt is dat beiden zich niet van de dualistische wijs laten brengen. Gelukkig zijn we met Bolkestein weer op het rechte pad gekomen en is de VVD 'bekeerd' tot het ware dualisme. Nu maar hopen dat leer en leven met elkaar in overeenstemming zijn en blijven. Politiek Den Haag zal er wel bij varen.