Babelnet

Eergisteren is de nieuwe roman van Marcel Möring uitgekomen, een groot, ingewikkeld boek, een griezelroman, mysterieverhaal, familiekroniek, sprookjesbundel en tijdscommentaar. In Babylon is spannend geschreven, met veel verwikkelingen, onverwachte wendingen en dramatisch effect.

Net als in Mörings andere boeken is de vertelling verknoopt met de joodse geschiedenis en doorschoten met beschouwelijke uitweidingen. Ongewoon, misschien wel uniek voor een roman zijn de verwijzingen op de allerlaatste bladzijde naar een reeks vindplaatsen op het Internet. Voor de oningewijde zien ze eruit als toverspreuken: http://ccat.sas.upenn.edu/humm/Topcs/Lilith, of: http://www. peak.org/danneng/decision/fermi.html.

De laatste bladzijde van een boek kan in een joodse familiekroniek uiteraard heel goed eerste zijn. Dan moet dus die pagina met Internet-adressen een gecodeerde inhoudsopgave bevatten of ten minste de sleutel behelzen tot de ontcijfering van geheimen in deze raadselachtige roman. Ik mag de ontknoping niet verklappen, maar één aanwijzing heb ik al gegeven.

De hoofdpersonen zijn door een sneeuwstorm opgesloten in een landhuis, waar zij zich van de vriesdood weten te vrijwaren door al het meubilair en de gehele boekerij op te stoken. Daar gaat het verleden. Iets of iemand heeft in dat afgelegen huis voor hen een val gezet, een zorgvuldig in elkaar geknutseld mechaniek dat met hun binnenkomst in werking wordt gezet en onverbiddelijk als een uurwerk afloopt.

Ook op de transen van de toren van Babel waren de bouwers door mist, kou en ontij afgesloten van de bewoonde wereld en moesten wel het bouwhout opstoken om in leven te blijven, bedenkt Möring. Blijkbaar speelt het boek zich af in de hoogste omgangen van de toren, vlak vóór de algehele spraakverwarring uitbreekt. Babel wordt in de roman verwoest door een atoomexplosie: “Op hetzelfde moment hoorde hij de donder over de vlakte rollen. Hij keek om en zag in de verte geen donderwolken, maar een stofpluim die als een paddestoel naar de hemelen klom.”

De hoofdpersoon in de roman is als kind in Los Alamos heimelijk getuige geweest van de eerste ontploffing van de atoombom, die zijn vader heeft helpen construeren. Zijn oom (of was het zijn oom?) was kort tevoren ooggetuige van de ontdekking van Bergen Belsen.

Maar welk Babel zal door die atoombom verwoest worden?

De houten huisjes van Hiroshima en Nagasaki reikten niet ten hemel, er was niets Babels aan. Die bom was door zijn bouwers bedoeld voor de nazi's. Maar tegen hen werd de atoombom al niet meer gebruikt. In de Bijbel wordt Babel ook niet verwoest. God zaait spraakverwarring en verspreidt de mensen over de aarde.

De Bijbel heeft dezelfde structuur als het Internet.

Wie bijvoorbeeld Gen. I:26,2 opslaat vindt daar een reeks verwijzingen naar andere vindplaatsen (Gen 5:1-3; Kor, 11:7 enzovoort). Bijbelsurfers schieten zo van de ene homepage naar de andere en banen zich een eigen weg door het labyrint. Het Internet werkt net zo, maar het is nog veel uitgebreider en het zal zich nog veel verder vertakken, steeds maar door, zonder einde. Zal het Internet eens alle kennis die in de wereld bestaat bevatten?

Is dan het Internet het nieuwe Babel? God zei (bij ZichZelf): “Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel plan van hen meer te stuiten zijn.”

Het Internet verbreidt zich juist in de jaren dat de atoomwapens in onbruik raken. Het is nog maar een begin, maar het is al niet meer te stuiten. Het is denkbaar dat het zich zou uitbreiden tot het absurde: “Een intelligentie, die op een gegeven ogenblik alle in de natuur werkende krachten en de positie van alle haar samenstellende delen zou kennen.” Dat is het Laplace-intellect. Dat brein zou dan omvattender moeten zijn dan het universum zelf.

Het is mogelijk dat het Internet één elektronisch brein wordt dat de gehele mensheid omvat, dat alles weet wat wie dan ook weet en dat alle gedachten omvat die de mensen denken. Dan is het al te laat om dat wereldbrein nog te verwarren en uiteen te drijven. God zelf wordt uit de wereld weggedacht.

Tegen deze speculaties en extrapolaties steekt het internet in zijn huidige gedaante schriel af. Het is traag, saai, meest platvloers en alledaags. Iedereen mag er in en erop en het net is dus grotendeels een uitdragerij en rommelzolder. Het wereldbrein houdt zich vooral bezig met verkooppraatjes, vieze plaatjes, prijslijsten, babbelboxen, info-docs en dienstroosters. Net als de samenstellende mensenbreinen, dus. Maar het is nóg trager. Als geheugen is het krikkemikkig. Je ziet de inspanning waarmee het probeert zich de opgevraagde weetjes te binnen te brengen, met veel geknipper en beden om geduld, tot eindelijk het scherm volloopt met bits en bytes van de andere kant van de aardbol.

Wat is dat voor een organisme? Is het een bibliotheek van alle bibliotheken, of eigenlijk een wereldwijd telefoonnet waarin de conversaties alvast uitgeschreven zijn? Het is in zijn bestanddelen niets nieuws, en toch door zijn omvang en bereik, zijn verwevenheid en complexiteit, omgeslagen in iets ongehoords en weergaloos waarvan geen mens voorzien kan hoe het zich ontwikkelen zal en wat het met de mensen zal doen.

Nu is het vooral een warwinkel van feiten, feitjes, meningen en meninkjes waarin mensen hun weg moeten weten te vinden. Er bestaat een heel netwerk voor het verspreiden van adressen van netwerken die adressen vermelden in het netwerk. Daar is dit stuk dan deel van.

Vanzelfsprekend worden ook deze woorden opgenomen in het wereldbrein. Voortaan verschijnt deze rubriek elke maandag na publicatie in de krant al op het Internet. Binnenkort zullen ook andere columnisten op dat adres te vinden zijn: http://www.siswo. uva.nl.