Atheïsme (2)

Met grote aandacht heb ik de recente polemiek tussen Philipse (atheïstisch filosoof) en Bomers (rooms-katholiek bisschop) gevolgd over het vermeend of werkelijk religieus absolutisme en de intolerantie van de Kerk van Rome. Het komt mij voor dat in dit debat de zogenaamde projectietheorie een cruciale rol speelt.

Philipse stelt dat alleen de atheïst beschikt over één theorie die alle geloofsverschijnselen tegelijk kan verklaren en geen projectie hoe dan ook behoeft. Bomers keert de redenering om en stelt dat juist op het atheïsme de projectietheorie van toepassing is.

Hoewel ik filosofisch noch theologisch geschoold ben, komen beide betogen mij redelijk betrouwbaar over maar aangezien ze elkaar tegenspreken klopt er, gezien het non-contradictie-beginsel, iets niet. In zijn repliek van 11 februari 1997 herhaalt Philipse echter met grote stelligheid dat de projectietheorie wel van toepassing is op de gelovige maar niet op de atheïst. De belangrijkste reden voor deze stelligheid ontleent hij aan het feit dat er “goede argumenten zijn om het bestaan van een hiernamaals te ontkennen”. Verbranding of ontbinding na de dood maken dat lichamelijke opstanding uitgesloten is. Ook geestelijke opstanding is onverenigbaar met “het wetenschappelijk goed bevestigde feit dat geestelijk leven onmogelijk is zonder hersenactiviteit”.

Als neurobioloog moet me van het hart dat de stelligheid van deze bewering niet zo wetenschappelijk is als Philipse pretendeert. In de natuurwetenschappen is men noodzakelijkerwijs aangewezen op zintuigelijke waarneming van de fenomenen om ons heen en mocht er iets zijn dat niet via visuele, akoestische of andere prikkels tot ons komt is het natuurwetenschappelijk non-existent. Hersenactiviteit kunnen we bijvoorbeeld vaststellen door met behulp van ingewikkelde apparatuur, de ronddolende in het brein gegenereerde stroompjes te registreren (EEG).

Natuurwetenschappelijk mogen we op grond van de afwezigheid van EEG-signalen uitsluitend concluderen dat er geen hersenactiviteit meer bestaat. De door Philipse getrokken conclusie dat er dan ook geen “geestelijk leven” meer bestaat is natuurwetenschappelijk echter incorrect omdat deze conclusie per definitie buiten de competentie van de natuurwetenschappen valt; geestelijk leven behoort niet tot haar parameters.