Atheïsme (1)

Professor Philipse (NRC HANDELSBLAD, 11 februari) vergist zich als hij denkt alle redenen te kennen waarom mensen geloven. In zijn puur materialistische wereld is rechtvaardigheid een illusie. Dat is de belangrijkste reden waarom ik in die wereld niet kan leven. Ik vind het zelfs immoreel (maar wat heet dáár nog immoreel) om er kinderen te verwekken.

Al in mijn jonge jaren stond het atheïsme me tegen en had ik soms verhitte discussies met atheïstische vrienden. Net als met die van sommige andere geloofsovertuigingen trouwens: wanneer een groot aantal mensen getuigt van ervaringen (die Philipse en ik niet kennen) en hun verslagen kloppen niet met elkaar, dan leert hém blijkbaar het non-contradictiebeginsel dat er geen reële ervaring geweest kan zijn. Mijn conclusie is daarentegen dat er sprake kan zijn van waarnemings- en interpretatieverschillen en dat het voor mij blijkbaar (vooralsnog) onmogelijk is de waarheid te achterhalen. Ik zou niet weten waar deze conclusie mee in conflict is.

Ik beschouw atheïsten als mensen die hun geloofsjasje binnenstebuiten dragen, hetzij par dépit omdat ze het vroeger altijd gewóón aan moesten, hetzij omdat ze als kind geleerd hebben dat het zo hoort. Sommigen gaan behoorlijk prat op hun uitmonstering en ik vraag me af of dat nou zo tolerant is. Bisschip Bomers draagt zijn colbertje gewoon en ik hoop dat hij het erin naar zijn zin heeft, al zou ik het ding niet aan willen. Agnosten lopen in hun trui.

Vooral de wetenschappelijke argumenten die Philipse aanvoert tegen het bestaan van een geestelijke wereld ('hiernamaals') vind ik van twijfelachtig gehalte. Wetenschappelijke argumenten kunnen heel goed afrekenen met sommige elementen uit een geloofsleer, doch niet met het eventuele bestaan van andere werelden dan de materiële waarin wij leven en waarin wij wetenschap bedrijven. Het betoog van Philipse doet me denken aan een oud verhaal over een visser, die in zijn lange leven had ontdekt dat er geen vissen bestonden die dunner waren dan zijn duim. Hij had er namelijk nog nooit één gevangen. Het feit dat zijn kennis over de wereld der vissen samenhing met de grootte van de mazen van zijn net ontging hem. Het lijkt wel (en ik noteer dit met tegenzin) of het Philipse ontgaat dat een op onze ratio en onze vijf zintuigen gebaseerde wetenschap onmogelijk kan oordelen over religie. Of, zoals de Leidse hoogleraar Van Dishoeck het op 24 december jongstleden in deze krant uitdrukte: “Wetenschap en religie strijden niet met elkaar”.

Dat aan zo'n wereld materiële hersenen te pas zouden moeten komen, dat laat ik me echter door niemand wijsmaken.