Aladins wonder-PC

Zolang als er flessen bestaan zijn er sprookjes geweest over geesten in flessen. Voor die tijd zaten sprookjesgeesten waarschijnlijk ergens anders in, want ook toen moeten mensen gedroomd hebben van zo'n perfecte huisknecht.

Aladin, het hoogtepunt van het genre, laat trouwens zien dat de fles maar bijzaak is: zijn vriendelijke almachtige butler huisde in een lamp. Eenmaal opgeroepen kon de geest elke gewenste taak voor Aladin uitvoeren. De geest was, kortom, niets specifieks van zichzelf, maar kon op verzoek elke gewenste functie uitvoeren en elke willekeurige gedaante aannemen.

Tegenwoordig bestaan geesten in flessen echt. We noemen ze computers. Want juist daarin onderscheidt de computer zich van alle andere apparaten op de wereld: het is idealiter een ding zonder vaste eigenschappen, dat desgevraagd elke willekeurige gedaante kan aannemen, en elke gewenste functie kan vervullen. Eén k(l)ik en uw PC verandert zichzelf in een schrijfmachine. Simsalabim, het apparaat neemt de gedaante aan van een flipperkast. Hokus, pokus, en de flipperkast vormt zichzelf om tot een rekenmachientje, Pilatus Pas, en hop, de rekenmachine wordt een tovergrootboek, dat zelf totalen, gemiddelden en belastingafdrachten berekent, en nog duizend-en-een dingen meer.

Het principe van zo'n 'Maschine ohne Eigenschaften' werd al voor de Tweede Wereldoorlog bedacht door de Engelse wiskundige Alan Turing, die eigenlijk naar iets heel anders op zoek was. Hij bewees, kort samengevat, dat een simpel apparaat denkbaar was dat elk proces kon uitvoeren, dat in ondubbelzinnige regels beschreven kon worden. Turings bewijs kostte niet meer dan een paar stukjes potlood, wat velletjes papier en de boterhammen die Turing at. Maar de weg van dat idee naar een echte, werkende computer, was lang en kostbaar. De eerste echte computers, vlak na de oorlog, werden dan ook gebouwd en ingezet voor taken waarvoor vrijwel onbeperkte middelen beschikbaar waren. Dat betekende vooral: berekeningen maken voor militaire doeleinden, en later ten behoeve van de ruimtevaart. Het is vooral daardoor dat het onuitroeibare misverstand is ontstaan dat computers rekenmachines zijn. In werkelijkheid zijn ze dat juist niet. Ze kunnen alleen heel goed een rekenmachine imiteren, net zoals ze een schrijfmachine kunnen imiteren, of een flipperkast. Een echte rekenmachine, hoe geavanceerd ook, is niets meer dan een verbeterd telraam, een apparaat dat voor één doel gebouwd is, en ook nergens anders voor te gebruiken. Geen rekenmachine die als schrijfmachine inzetbaar is, geen schrijfmachine die kan rekenen. Een computer is juist nergens voor gebouwd, maar kan, gegeven de juiste programmatuur, overal voor gebruikt worden.

In de praktijk lijken de meeste computers waarmee we geconfronteerd worden ogenschijnlijk maar weinig op Turings ideale geest uit de fles die alles kan. Technische beperkingen en financiële overwegingen ontnemen de gemiddelde computer heel wat van zijn flexibiliteit. In PC's zit bijvoorbeeld de basis van het besturingssysteem, die ervoor zorgt dat de hele santekraam van kaarten, diskdrives, stekkers en andere onderdelen zich als één geheel gedraagt, vast ingebouwd, in een BIOS-chip. Het gevolg is dat ze verder alleen te gebruiken zijn met programma's die speciaal voor dat ene besturingssysteem zijn ontworpen. Om die reden kunnen een Apple en een IBM-PC nauwelijks met elkaar omgaan, en al helemaal niet elkaars programma's. Om die reden vormen UNIX-machines een wereld apart. De beste PC aller tijden was dan ook de Apricot van rond 1985. Die machine benaderde echt het ideaal van de lege, volkomen plooibare doos. Van zichzelf wist de Apricot uitsluitend waar zijn diskdrive zat, waarvanaf hij bij het opstarten het complete besturingssysteem begon in te laden. Of dat nu DOS was of het toen nog gangbare besturingssysteem CP/M maakte de Apricot niets uit. Op zondag kon je hem zelfs voor UNIX-machine laten spelen.

Ook heel dicht bij het ideaal komen de miljoenen minicomputertjes die we nooit zien. Het zijn de chips die zorgen dat de auto altijd start, dat je Catherine Keijl van de tv kunt wegzappen, dat je chipknip werkt, dat de oven een perfecte cake oplevert, en nog duizend dingen meer. Het zijn juist die computertjes die laten zien dat computers echte flessengeesten zijn, en niet opgesloten zitten in de immateriële wereld van informatie, plaatjes en tekst op een beeldscherm. Ze besturen echte, materiële gebeurtenissen en processen, zonder onze tussenkomst. Ze zetten wielen stil, pompen benzine, of bakken een eitje. Toegegeven, de meeste van die apparaatjes kunnen alleen maar die ene taak uitvoeren, maar laat u niet bedotten: ze zijn geboren als onbestemde computertjes, maar daarna door het wegbranden van verbindingen permanent geprogrammeerd voor één taak. Het is alsof je een tuinman huurt, en zijn handen vervangt door heggescharen. Zo iemand kan nooit meer pianist worden, maar ooit was de potentie er wel.

In één opzicht halen computers het nog op geen stukken na bij Aladins lampengeest was: gebruikersvriendelijkheid. De geest had aan een half woord genoeg om aan al Aladins wensen te voldoen. Meestal zijn flessengeesten zelfs in sprookjes een stuk weerbarstiger. Met name de drie-wensen-geesten zijn berucht, omdat ze letterlijk doen wat hun wordt opgedragen. Dan blijkt steevast dat de wenser de mogelijke gevolgen van zijn opdrachten maar bar slecht overziet. Zo is het met computers ook. Het maken van een waterdicht programma zonder onbedoelde neveneffecten is geen sinecure, zelfs als je geen stomme fouten maakt, zodat computers geregeld welgemoed het schip in gaan. Dat is vervelend, maar zou een computer die van zichzelf zo slim is als Aladins geest, echt beter zijn? Computers zijn juist nuttig vanwege hun slaafse en domme, maar betrouwbare gedrag. Een computer die al te gretig op eigen houtje beslist wat wij eigenlijk met onze instructies bedoelen wordt wel net zo flexibel en slim als een mens, maar ook net zo onhandelbaar en onvoorspelbaar. Zolang mensen eenvoudiger en goedkoper te produceren zijn dan computers, hebben we daar bar weinig aan.