Uit Senegal; Een hut vol hoekige dromen; Kunst in het land van de Diola

De Senegalese stam de Diola maakt de meest uiteenlopende soorten kunst. De maskers van de volwassenen lijken een Afrikaanse versie van de Walküre, hun kinderen maken auto's van plastic flessen. En ergens tussen de mangroven leeft Simon Badji, bevriend met de dolfijnen, die zijn hele huis tot een kunstwerk heeft omgetoverd.

Vooruitlopend op de reis naar het land van de Diola bekijk ik in de Senegalese hoofdstad, Dakar, de door deze stam gemaakte maskers. Ze bevinden zich in de collectie van het museum van Afrikaanse kunst. De maskers van de Diola blijken minder verfijnd dan die uit Mali. Ze vallen vooral op door een uitzinnig aandoende vitaliteit. De voorkeur van de makers is zichtbaar uitgegaan naar zwierige, fors uitgevallen buffelhoorns met hemelwaarts gerichte punten. Deze sieren minutieuze danshoedjes en maken de met ingelegde schelpen versierde maskers, eindigend in een soort baarden van lange raffia-slierten, tot een Afrikaanse versie van een Walküre. Ik ben benieuwd hoe de ontmoeting met de eigentijdse vertegenwoordigers van deze stam zal verlopen.

Dat in de moderne Senegalese kunst eveneens het motief van het masker wordt toegepast, heb ik al eens gezien op reprodukties van het werk van de schilder Souley Keita. Ik wilde er wel wat meer van weten. Mijn inspectie van de eigentijdse Senegalese kunst loopt echter op niets uit. Toen ik de galerie voor moderne kunst, gelegen in een straat zonder naambordje, eindelijk had ontdekt, bleek die gesloten. Door de gesloten ramen zag ik dat de zalen geheel leeg waren. De markt daarentegen heeft een groot aanbod aan jonge kunst.

Vermoedelijk in navolging van de succesvolle Afrikaanse schilder Cherie Samba hebben de kunstenaars zich in Dakar massaal gestort op het beschilderen van paneeltjes met kleurrijke cartoons. Ze worden zichtbaar aan de lopende band vervaardigd. De onderwerpen variëren van de bakker die stokbrood in zijn brandende oven bakt tot een met fototoestellen beladen toerist in korte broek. Een thema als 'geboorteregeling' kan een gevisualiseerde sketch opleveren van een zwarte verpleegster die de polsslag opneemt van een hoogzwangere, zwarte vrouw en uitroept: 'Haaa!! Les hommes.' Waarop de ander verzucht: 'Tous des Salaups.'

Achttien uur nadat ik uit Dakar was vertrokken, meerde de boot af in de haven van Ziguinchor, de regionale hoofdstad van de Basse-Casamance, gelegen in het zuiden van Senegal bij de grens met Guinee-Bissau. Deze tropische streek, genoemd naar de brede rivier die uitmondt in de Atlantische Oceaan, is de overgangszone van de Sahel naar het regenwoud. Het is het leefgebied van de Diola, een gastvrije stam die in zijn streven naar autonomie echter zo nu en dan naar de wapens grijpt.

Oleanders

We namen onze intrek in een lemen, half door de termieten aangevreten hut met een rieten dak waarin onder meer enkele (vleer-)muizen bleken gehuisvest. De hut lag in een buitenwijk van Ziguinchor, in een lieflijk dorpje zonder stromend water of elektriciteit.

Omgeven door rijstvelden, palmen, bamboe, bougainville, oleanders, witte reigers, witte runderen, schapen, geiten, kippen, op hoge hakschoentjes rondstappende varkens, een enkele leguaan en muggen, ebt mijn verlangen naar moderne Senegalese kunst langzaam maar zeker weg.

Temeer toen ik de Diola-vrouwen voor het eerst uit belendende hutjes tevoorschijn zag komen om op de rijstvelden te gaan werken of zich op de markt in Zuiginchor bezig te houden met de verkoop van pinda's of vis. Het was of er levende sculpturen aantraden. Rijzige, kaarsrechte, ebbenhouten prinsessen met een zwaar beladen mand of plastic teil op het hoofd, bewogen zich voort in de meest kleurrijke gewaden om na zonsondergang weer in hun armzalige, stoffige hutjes te verdwijnen.

Overdag kijk ik vaak heimelijk over de omheining naar de kinderen van de werkende moeders. In ruil voor kleurpotloden en papier, zullen ze tekeningen voor me maken. Van hun moeder heb ik al eens een geschenk gekregen, een aardappel. Op een dag zie ik de kinderen bezig met de voorbereidingen. Ze zitten op de grond rond kleine, houten zitbankjes die bijna zo laag zijn als een hoofdsteun en als tafel worden gebruikt. Kafiba, die de oudste is, verdeelt tekenmateriaal onder zijn talrijke broertjes en vriendjes. Hij is vermoedelijk een jaar of tien, maar hij kent zijn precieze leeftijd evenmin als de andere kinderen. De jongste meisjes kijken toe. Terwijl hun moeder op het rijstveld werkt, bereidt zijn ongeveer elf jaar oude zusje de maaltijd.

Het meisje, dat zowel kralen kettinkjes en amuletten als een katholiek kruisje om haar hals draagt, buigt zich in de keuken over het houtskoolvuurtje. De keuken is op het erf en gemaakt van vier gevorkte stokken, die overhuifd zijn met takken en vodden.

De kleine tekenaars geven intussen potloden aan elkaar door, geen kleur heeft een vaste baas. Wachtend op hun portie van het blauw, het geel, het rood of het groen, hoor je het stel veelvuldig schaterlachen. Soms hoor ik ze met z'n allen zingen. Ze schijnen altijd vrolijk te zijn, hoewel je 's nachts soms het geweeklaag opvangt van vrouwen van wie zojuist het zoveelste kind is gestorven. Speelgoed bezitten de kinderen niet. Van lege plastic flessen fabriceren ze langwerpige auto's met kartonnen wieltjes, uitgesneden portiertjes en handvaten van restjes roestig ijzerdraad. Ze worden door het zand geduwd met een bamboetak die uit het autodak steekt. Juweeltjes van westerse 'arte povera' die hier uit schrijnende tekorten ontstaat. De kinderen blijken allemaal hun dorp te hebben willen tekenen voor de 'toubab' die, in haar vleesgeworden witheid, de allerkleinsten aanvankelijk de stuipen op het lijf heeft gejaagd. Wit is de kleur van de onverhoeds opdoemende geesten, van wie het hier wemelt. De kleine tekenaars die op school Frans leren spreken, hebben de directe omgeving nauwgezet in kaart gebracht.

Rennende kippen

Ik spreek mijn bewondering uit voor hun tekeningen van kronkelende zandpaden, bomen, rondrennende kippen en rieten daken, waarvan de geestig getekende punten omlaag hangen als de kwast van een ouderwetse slaapmuts. De jeugdige tekenaars geven reeds blijk van een heldere perceptie van het Afrikaanse vrouwbeeld.

Vrouwen dragen altijd iets. Als het niet op hun hoofd is dan is het wel op hun rug, waarop de in doeken gewikkelde baby wordt getransporteerd. Op de tekeningen stampen de vrouwen veelvuldig met zware houten stokken in houten potten. Er zijn ook enkele werkende mannen vereeuwigd. Vissers met hun netten op de Casamance in de uitgeholde boomstam met de bontbeschilderde opbouw welke pirogue wordt genoemd. Een landbouwer rookt rustig zijn pijpje terwijl hij een vreemd gevormde spade, kadyen

do geheten, in de grond steekt. Ik krijg ook een tekening onder ogen van een palmwijn-tapper die met behulp van een om de stam geslagen lus, in een hele hoge boom is geklommen. Het getekende veelluik heeft een ontroerende lading. De reportage uit het dagelijks leven van de Diola-kinderen is het mooiste kunstwerk dat ik tot dan toe in Senegal heb gezien.

Maar Diola-land heeft nog een verrassing in petto.

Het boottochtje met de pirogue door de Casamance-rivier dat langs de mangroven en kreken voert, belooft ons oogcontact met talrijke flamingo's en pelikanen. Geen enkele vogel wenst zich die ochtend aan ons te vertonen.

In een verstilde uithoek van de rivier gaan we aan land. Een tengere, lange man van de stam van de Diola komt ons tegemoet. Hij heet Simon Badji en is bevriend met de dolfijnen die de rivier bereiken via de oceaan. Andere vissen zwemmen naar de kant om uit zijn hand te eten.

Hij toont ons zijn levenswerk, een twee verdiepingen tellend, lemen huis.

De creatie van een naïef kunstenaar als de Franse postbode Cheval zinkt er haast bij in het niet. De schepping van Badji, die alleen woont, strekt zich voornamelijk over het interieur uit.

Het is van onder tot boven versierd.

De vertrekken hebben boogvormige ingangen, die met verf zijn gedecoreerd. Iedere lemen wand is omgevormd tot een reliëf met lijst, waardoor het is alsof er met gips opgehoogde schilderijen aan de muren hangen.

De reliëfs verbeelden menselijke figuren, dieren en voorwerpen. Vaak zijn ze beschilderd, soms zijn ze blank gelaten of wachten ze op een verfbehandeling. Sommige voorstellingen hebben een sterke erotisch lading. Je ziet vrouwen als enorme schrikgodinnen die op de reliëfs letterlijk tastbaar aanwezig zijn, in felrode badpakken. Een aap die een voorover gebogen naakte man in zijn testikels grijpt. Mannen en vrouwen in vrijpostige seksuele houdingen zoals op de wandschilderingen van de Etrusken. Ronde en hoekige vormen, exuberante en verstilde scènes wisselen elkaar af. Op een wit vlak zijn witte voorwerpen neutraal naast en onder elkaar afgebeeld als op een modern schilderij. Een reliëf van een man en een vrouw die aan een hoekige tafel zitten, brengen de ritmiek en vlakverdeling van Bart van der Leck in herinnering. Tegelijkertijd valt in de meest geladen voorstellingen een statisch element op, de beklemming van het onveranderlijke, dat associaties oproept met Egyptische kunst. Hoe komt de Diola Simon Badji, die niet kan schrijven en geïsoleerd leeft aan een eenzame rivieroever, tot een stijl waarin verschillende culturen lijken samen te stromen? 'Ach, het zijn allemaal dromen', zegt hij. Ze kunnen helaas niet in mijn koffer mee naar huis, zoals de kindertekeningen.