Twee verlichte kapiteins

J.R. Bruijn en Carla van Baalen: Van zeeman tot residentieburger. Cornelis de Jong van Rodenburgh (1762-1838). Verloren, 96 blz. ƒ25,-

Q.M.R. Ver Huell: Levensherinneringen 1787-1812. (Bezorgd en ingeleid door L. Turksma). Van Gruting, 172 blz. ƒ39,95

De marineofficieren Cornelius de Jong van Rodenburgh (1762-1838) en Maurits Ver Huell (1787-1860) scheelden 25 jaar in leeftijd en hun levenslijnen hebben elkaar vermoedelijk nooit gekruist. Wel zijn er opvallende overeenkomsten in die bewogen levens te ontdekken. Beiden werden ze in de nadagen van de Nederlandse Republiek geboren als telgen uit regentenfamilies.

De Jongs voorzaten hoorden tot het patriciaat van Oudewater. De Ver Huells waren wat sjieker: burgemeesters van Doetinchem en Doesburg, maar ook geparenteerd aan adellijke families in de Achterhoek. Allebei waren ze bestemd voor een loopbaan bij de vaderlandse marine, en op veertienjarige leeftijd zetten ze hun eerste schreden aan dek van een oorlogsbodem.

De Jong maakte, mede dankzij het goed onderhouden netwerk van zijn familie, nog onder het stadhouderlijk bewind snel promotie, nauwelijks onderbroken door een kortstondig krijgsgevangenschap op een Brits-Caraïbisch eilandje. Het verblijf daar werd veraangenaamd door een liefdesaffaire, zoals hem in zijn zeemansbestaan meer overkwam, totdat hij aan de Kaap een passende echtgenote opdeed. Ook Ver Huell zou, na een respectabele reeks scharrels en verliefdheden, uiteindelijk gewoon een meisje uit zijn eigen stand trouwen.

Na de omwenteling van 1795 ging Cornelius zonder veel problemen over in Bataafse dienst. Daar ging het hem zelfs bepaald voor de wind, tot een pijnlijk incident zijn loopbaan knakte. In 1799 maakte hij als kapitein van een linieschip deel uit van een eskader, dat zich bij Texel zonder slag of stoot aan de Britten overgaf. Hij werd beschuldigd van plichtsverzuim en verraad, en na een langdurig proces veroordeeld tot de 'straffe naast den dood' (een soort schijnexecutie) en levenslange ballingschap. Die straf kwam niet al te hard aan: met medeneming van zijn gezin en zijn bescheiden fortuin vestigde hij zich comfortabel in Kleef, later in Vught. Na de ondergang van het Napoleontische bewind verleende koning Willem I hem eerherstel, maar actieve dienst werd hem tot zijn spijt niet meer gegund. Als gepensioneerd schout-bij-nacht vestigde hij zich in Den Haag, waar hij al spoedig verkeerde in 'een lieve en nogal uitgebreide kring van hupsche menschen'. Op Diligentia en De Witte was hij een graag geziene gast, een ook aan het Hof werd hij ontvangen. Het was op aandrang van de koning zelf dat hij een aantal bestuursfuncties op zich nam: hij werd onder andere regent van het Burgerweeshuis, lid van de Haagse gemeenteraad en commissaris van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij.

Toen Maurits Ver Huell zijn carrière aanving bij de Bataafse marine, had hij niet minder profijt van zijn familieconnecties dan De Jong onder het oude bewind. Ook hij kwam snel vooruit, in het kielzog van zijn oom, de bekende admiraal Carel Hendrik Ver Huell. Ook Maurits werd vanaf zijn eerste vaart geconfronteerd met de alsmaar groeiende Engelse overmacht op zee. Net als De Jong raakte hij in krijgsgevangenschap, in Brazilië, en hij had het er evenmin beroerd. Integendeel: zijn levendige beschrijvingen van de zedenloosheid te Recife wekken de indruk dat de jongeheer zich uitstekend amuseerde.

Terug in Nederland waren mooie bevorderingen zijn deel. In de laatste zou Napoleon zelf de hand hebben gehad. Maar na diens val wilde het niet meer zo vlotten. Na wat avonturen in de Indische wateren kreeg hij geen zeecommando meer; wel een positie op de Marinewerf in Rotterdam, waarvan hij van 1843 tot zijn pensioen in 1850 directeur was.

Net als De Jong was Ver Huell een gezelschapsmens. Ook hij was een gewaardeerd lid van verschillende clubs en genootschappen. Van het buitenleven hielden ze allebei eveneens. De Jong genoot zeer van zijn gedwongen bestaan als hereboer in Vught, en Verhuell koesterde zijn leven lang zijn jeugdherinneringen aan het idyllische buitengoedje van de familie, het Ensering bij Vorden. In meerdere opzichten zijn hun karakters niet ongelijk. Het waren kalme en koelbloedige mannen, met flink wat ponteneur, maar ook gevoel voor humor.

Beiden bezaten een stevige appetijt voor allerhande genietingen, maar wisten even goed maat te houden. Ze lijken zelfs wel wat op elkaar, met hun forse koppen, stevige neuzen en schrandere ogen.

Geen onaardige heren kortom, binnen de perken van hun vanzelfsprekende standsbewustheid. Bij De Jong waren die perken wel wat benauwd, ook voor zijn tijd. Hij was bijvoorbeeld een tegenstander van uitgebreid onderwijs aan kinderen uit de lagere standen, opdat zij niet de functies zouden ambiëren die 'eigenlijk aan jongelingen uit hooger kring en verhevener stand behoren'.

Ver Huell betoont zich in dit opzicht meer een paternalistische Gelderse landjonker, die met innig genoegen verhaalt van zijn dierbare betrekkingen met knechten, pachters en andere eenvoudige maar goedhartige lieden.

De twee gemankeerde zeehelden waren ook exemplaren van die uitgestorven soort van militairen die je 'officiers savants' zou kunnen noemen: veelzijdige, nieuwsgierige en niet zelden kunstlievende erudieten. Zulke kinderen van de Verlichting waren in de meeste oorlogsvloten van die tijd wel te vinden, maar ook in de landlegers: men denke aan een Clausewitz of een Gneisenau.

De kapiteins De Jong en Ver Huell hadden een grote belangstelling voor flora en fauna, voor wetenschap en techniek gemeen. Beiden waren vaardig met pen en tekenstift. De Jong oogste enige roem met zijn reisverhalen, die hij in de jaren van zijn ballingschap in negen delen het licht liet zien. Het leverde hem een aardige duit op, en bovendien het lidmaatschap van de Nederlandsche Maatschappij van Letterkunde.

Maurits Ver Huell publiceerde ook reisverhalen, onder andere over zijn verblijf in Brazilië, en daarnaast biografische verhandelingen over zeehelden,waaronder een levensbeschrijving van zijn beroemde en bewonderde oom. Naam maakte hij vooral met zijn entomologische prestaties. Maurits was een verwoed verzamelaar van insecten, die hij ook zeer bekwaam kon uittekenen. Enkele soorten zijn naar hem vernoemd: de 'Colias Verhuellia', de 'Teichobia Verhuellella' en andere 'minst geachte schepselen'. Een ander deel van zijn intellectuele nalatenschap heeft hem tot dusver nog geen onsterfelijkheid opgeleverd, want zijn Levensherinneringen schreef hij niet voor de openbaarheid.

Een laatste overeenkomst tussen onze geleerde marinemannen is dat ze allebei door recente publicaties uit de vergetelheid zijn getild. Aan De Jong van Rodenburgh is een korte, goed geannoteerde en aardig geïllustreerde biografie gewijd. Het gelukkige leven, dat Cornelius volgens de auteurs al met al geleid moet hebben, wordt prettig en zonder veel pretenties uit de doeken gedaan. Wat overlappingen en herhalingen zal de geïnteresseerde lezer graag voor lief nemen.

Q.M.R.Ver Huell, Levensherinneringen 1787-1812 is een heel ander soort boek, namelijk een door de eminente kenner van het geslacht Ver Huell, prof.dr.L. Turksma, degelijk ingeleide en keurig bezorgde selectie uit Maurits'

gelijknamige grote autobiografische manuscript. Juist het feit dat dit niet voor publikatie bestemd was, maakt deze uitgave zo interessant. Deze nog niet eerder uitgegeven passages handelen over de jeugdjaren van de auteur en werden 30 tot 40 jaar na dato geschreven. Ze zijn dus ongetwijfeld verkleurd en vertekend, maar in een zeer directe en rondborstige stijl genoteerd. Dat levert prachtige scènes op, zoals die waarin de piepjonge held zijn ontmaagding door een hoogstens tien jaar oudere lustige weduwe beschrijft: “'Als je zoet wilt zijn, kom ik naast je'. Dat was teveel. Alles wat een jongmensch in vuur en vlam kan zetten, alles wat eene lieve schone vrouw bevalligst heeft, vloog als een toverbeeld door het zachte licht van de nachtlamp voor mij heen'.

Het is bijna ongepast om hierna nog een aanmerking te maken op het nogal oppervlakkige notenapparaat van dit mooie boek.