Totty de Sphinx

'n Nieuwsgierig meisje wilde weten

Of je ook duisternis kunt eten.

- Welnu: op Java, lang geleden

Waar je je nooit hoeft aan te kleden

Omdat 't er altijd lekker warm is

En bijna iedereen straatarm is

Woonde een sphinxje dat dat kon;

Zij werd daar in haar nachtjapon

Elke avond weggebracht

Naar een kamer vol met nacht.

En als ze at (dat was haar plicht)

Dan werd het in die kamer licht.

Iedereen die haar zag eten

Wilde 't fijne ervan weten:

Vertel toch eens hoe of dat is;

Wat is de smaak van duisternis?

Welnu, sprak zij, de smaak is mild

Zoals van watten, of van vilt.

Soms smaakt het duidelijk naar roet;

Maar minder droog en niet zo zoet.

En is de duisternis nog koud

Dan is de smaak als brem zo zout.

En kijk: die schaduw onder tafel

Die smaakt naar chocoladewafel.

Maar zie, een wonderlijk gezicht:

Onder de tafel was het licht.

Ze had, al lijkt het ingewikkeld

De schaduw haastig opgesmikkeld.

Dit is een gedicht uit de derde eeuw v. Chr., van de dichteres Anyte, die ook ontroerende en heel modern aanvoelende gedichten over dieren heeft geschreven (in dezelfde bloemlezing: 'Op een dode haan', 'Op een gesneuveld paard'); ook liefde voor dieren is in mijn oog een geruststellend teken van civilisatie verwant aan, of wortelend in dezelfde aarde als liefde voor kinderen.

Milder