Stront eten zonder inspiratie

Vladimir Sorokin: De Wedstrijd. Scabreuze verhalen. Vertaald uit het Russisch door Aai Prins. De Wereldbibliotheek, 204 blz. ƒ29,50

Enkele jaren gelden verraste De Wereldbibliotheek ons met De rij van de onbekende Rus Sorokin. Het was een hoogst origineel en bij vlagen zeer vermakelijk, uitsluitend uit flarden dialoog opgebouwd relaas over mensen die dagen in de rij staan terwijl ze zelf niet weten waarvoor. Sorokin leek een schrijver van wie we nog veel konden verwachten en naar wiens volgende boek we uitkeken.

Dat volgende boek is nu verschenen, maar wat een teleurstelling! Het is of Sorokin in de verhalen in deze bundel zijn uiterste best heeft gedaan om juist de zwakste kanten uit zijn vorige opus tot in het extreme te cultiveren. Sorokins lievelingsprocédé - in deze bundel in elk verhaal toegepast - is te beginnen met een volkomen normale, alledaagse situatie en die dan volkomen uit de hand te laten lopen of te laten omslaan in pure waanzin. Dit automatisme maakt de verhalen al tamelijk voorspelbaar. Nog voorspelbaarder worden ze door de aard van de ontsporingen. Zinloos geweld en wreedheid zijn uiteraard goed vertegenwoordigd, gevolgd door waanzin en vooral uitwerpselen. Het consumeren van menselijke faecaliën is in deze verhalen een normaal verschijnsel, zo normaal dat je er op den duur niet meer van opkijkt. Daar gaan ze weer, is de reactie van de vermoeide lezer.

Een hoogtepunt op het gebied van poep eten is het verhaal De obelisk. Het begint heel zoetsappig. Een moeder en dochter gaan een bloemetje leggen op het graf van hun man en vader, en daar barsten de twee uit in een absurde lofzang op de overledene: 'En dank je wel, Koljoesjka, dat je haar je stront te eten hebt gegeven, ja te eten hebt gegeven!' 'Dank je wel vadertje, dat je mij als zesjarige je strontsap te drinken hebt gegeven.' En in die trant gaat het nog vier bladzijden door. In De Tabaksbuidel is het de waanzin.

Weer is het begin heel traditioneel, de verteller wandelt door het bos - Sorokin kan overigens heel mooi, op bijna Sovjet-realistische wijze, bos en veld beschrijven -, komt een oude man tegen, die hem een verhaal vertelt. Dit verhaal over de oorlog begint eveneens volkomen samenhangend maar slaat opeens, zonder enige aankondiging, om in een stroom wartaal met de gruwelijkste details: 'en in die tobben daar borrelt klotst koken ze hoofden afgehakt van krijgsgevangenen in meel in meel...' Ook dit weer vier bladzijden lang.

Waanzin in de literatuur: het kan prachtige dingen opleveren, en zelfs die stront, op de juiste wijze aangepakt, kan een zeker effect hebben, en natuurlijk, die waanzin staat voor de waanzin van het Sovjet-leven en die stront is letterlijk de stront die de Sovjet-burger moest slikken, maar Sorokin maakt zich er hier wel heel gemakkelijk van af. Elke subtiliteit, humor, poging tot opbouw en motivering ontbreken. Misschien is dat bewust gedaan, maar daar worden deze verhalen toch niet beter van. Sorokin lijkt te denken dat alles wat hij op papier zet zonder meer van grote waarde is en daarin vergist hij zich. Er staat in het hele boek geen enkele zin die je bijblijft. Hij lijkt ook te denken dat hij het publiek kan schokken met poep eten en krankzinnige wreedheid, en ook daarin vergist hij zich, althans wanneer de verschijnselen zo zonder enige inspiratie en originaliteit worden opgediend als in deze verhalen.