Roman van Jean-Philippe Toussaint; Schrijverschap in spiegelbeeld

Jean-Philippe Toussaint: La télévision. Editions de Minuit. 270 blz. ƒ40,20

De boeken van Jean-Philippe Toussaint worden in Nederland uitgegeven door uitgeverij Van Gennep. De vertaling van 'La télévision' verschijnt in oktober van dit jaar.

'Ik ben gestopt met televisiekijken. In één keer, voorgoed, geen enkele uitzending meer, zelfs geen sport. Ik ben er iets meer dan zes maanden geleden mee opgehouden, eind juli, net na het einde van de Tour de France.' Zo begint La télévision, de nieuwe roman van de Waalse schrijver Jean-Philippe Toussaint (1957).

Wat doe je als je voorgoed bent gestopt met televisie kijken? Krijg je ontwenningsverschijnselen net als wanneer je met roken bent gestopt? Krijgt verveling de overhand? Ga je de vrijgekomen tijd eindelijk weer eens besteden aan nadenken over jezelf en over het leven? Of is er meer nodig om van de in je hoofd rondzappende beelden af te komen?

Volgens de 'nouveau nouveau romancier' Toussaint moet die laatste vraag bevestigend beantwoord worden. Met 'nouveaux nouveaux romanciers' wordt sinds enkele jaren de nieuwe generatie schrijvers van uitgeverij Minuit aangeduid.

De benaming is een knipoog naar de auteurs van de 'Nouveau Roman' die zo'n dertig jaar geleden bij dezelfde uitgeverij furore maakten. De in de jaren zestig debuterende Samuel Beckett, Robert Pinget, Alain Robbe-Grillet, Nathalie Sarraute en Claude Simon verklaarden de oorlog aan de romanpersonages à la Balzac en Flaubert, lieten iedere vorm van intrige achterwege en lapten de wet van eenheid van plaats, tijd en handeling aan hun laars. Gevolg was wel dat menig lezer hun boeken links liet liggen.

De 'nouveaux nouveaux romanciers' waartoe ook bijvoorbeeld François Bon, Patrick Deville, Jean Echenoz, Marie Ndiaye, Marie Redonnet en Jean Rouaud worden gerekend, debuteerden in de jaren tachtig. Zij keerden, in meer of mindere mate, terug naar de 'traditionele' karakteristieken van de roman. De personages kregen weer namen en er was opnieuw sprake van een plot, hoe eenvoudig dan ook. Toch wordt hun werk, net als die van hun voorgangers, in alle opzichten gekenmerkt door soberheid en spaarzaamheid, van het aantal bladzijden tot het taalgebruik. De 'jonge' Minuit-auteurs (allemaal nu zo rond de veertig) schrijven in korte zinnen met een eenvoudige syntaxis en laten veel stukken wit in hun tekst. De personages worden over het algemeen niet breeduit neergezet en er is soms nauwelijks sprake van een handeling. Naar analogie van stromingen in de beeldende kunst en in de muziek worden deze schrijvers ook wel 'minimalisten' genoemd.

Deze term was zeker van toepassing op de succesvolle debuutroman van Jean-Philippe Toussaint, La salle de bain uit 1985, waarvan 60.000 exemplaren werden verkocht en die in vele talen werd vertaald. In deze semi-wiskundige roman trekt de hoofdpersoon zich terug in zijn badkamer om er rustig te kunnen nadenken en zich af te schermen voor de gevaren van de buitenwereld.

Toussaints vijfde roman La télévision is beduidend minder 'minimalistisch'.

Niet alleen beslaat de roman een kleine driehonderd bladzijden, maar er is ook sprake van een intrige (een kunsthistoricus bereidt een boek voor over Titiaan), een plaats (Berlijn) en een tijd (een recente zomer). De ik-persoon heeft veel weg van de hoofdpersoon uit La salle de bain. Hij is ouder en wijzer geworden, heeft een plaats veroverd in de universitaire wereld en nog steeds een voorkeur voor het baden ('bij uitstek geschikt voor studie') en voor nadenken.

De kunsthistoricus uit La télévision brengt, dankzij een werkbeurs, de zomer door in Berlijn om zich te wijden aan een studie over de zestiende eeuwse schilder Titiaan. Zijn vrouw en zoon zijn met vakantie in Italië. Het werk wil niet vlotten omdat hij maar niet kan besluiten hoe hij de schilder moet noemen 'Titien, le Titien, Vecelli, Vecellio, Tiziano Vecellio' en zo zijn er nog een half dozijn mogelijkheden. Hij volgt de tenniskampioenschappen op de televisie 'en verder deed ik niets. Onder niets doen versta ik het doen van alleen het wezenlijke, nadenken, lezen, muziek luisteren, beminnen, wandelen, zwemmen en champignons plukken.' Omdat hij zijn handen vol heeft met 'niets doen' - wat in de praktijk neerkomt op nadenken en zwemmen - besluit hij de televisie af te zweren.

Juist daarom raakt hij er geheel op gefixeerd. 's Nachts ziet hij in ieder huis het melkachtige wit dat het zwarte kastje uitstraalt en overal heeft het gezinshoofd de afstandsbediening 'als een scepter' in de hand. Al denkend zappen er voortdurend beelden door zijn hoofd: domme talkshows die iedere creativiteit in de kiem smoren, troosteloze betonnen probleemwijken vol vandalisme en 'nog meer smerigheid, nog meer treurigheid'.

In een recent interview vertelde Toussaint dat hij La télévision heeft geschreven omdat hij de titel en de eerste alinea had. De verteller in het boek, die worstelt om verder te komen dan de eerste twee openingswoorden van zijn studie ('Toen Musset'), gunt ons, als het ware in spiegelbeeld, een blik in de keuken van zijn schrijverschap. Terwijl hij zwemt en zijn gedachten de vrije loop laat, denkt hij na over de twee methoden die je kunt toepassen om te schrijven, de strenge 'jansenistische' en de gemakkelijke 'coulante'. Uiteraard geeft de verteller de voorkeur aan de laatste.

Van Toussaint is bekend dat er alleen iets uit zijn handen komt als hij zijn dagen onderwerpt aan een strak ritme. Toch lijkt het alsof La télévision zonder enige moeite en in een goede bui op een mooie zondagmiddag is geschreven. Dat maakt het tot een vrolijk, licht boek, komisch en soms op het burleske af. Die humor gaat echter vaak ten koste van de personages, die verder nauwelijks uit de verf komen. Hier toont zich dan toch weer de 'minimalist' in Toussaint. De hoofdpersoon blijkt nog steeds niet in staat volwaardige menselijke relaties aan te gaan. Zijn buurvrouw en haar planten 'die Duits met elkaar spreken', de bibliothecaris 'die er niet is om onderzoekers bij hun werk te helpen', het zijn niet meer dan vluchtige karikaturen. Herkenbaar en met humor neergezet, dat wel.Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de ongemakkelijke ontmoeting op een hete dag aan de Hallensee, waar de verteller, volgens de principes van de 'coulante' methode, aan het nadenken is. Poedelnaakt onderweg naar het water, treft hij de directeur van de stichting die hem zijn werkbeurs verleende. Deze is keurig gekleed in pak en in gezelschap van schrijver Cees Nooteboom, eveneens in pak.

Burlesk en slapstick-achtig zijn de passages rond de bovenburen van de verteller, die hem hebben gevraagd de planten water te geven tijdens hun vakantie. Bij terugkeer staat al het groen als hooi voor de ramen en noch zijn potsierlijke toeren om dit te verhullen noch zijn aanbod om te helpen de auto uit te pakken ('liefst iets groots en lichts') kan daar meer iets aan veranderen. Aan dit soort fragmenten, die bijzonder filmisch zijn opgeschreven,kun je zien dat Toussaint ook cineast is. Hij werkte mee aan de verfilming van twee van zijn boeken (Monsieur en L'appareil-photo) en schreef een nieuw scenario, La Patinoire, dat dit jaar wordt gefilmd. Onlangs maakte hij in Berlijn een film voor de Duitse televisie, Berlin 10h46.

Met zijn vijfde roman, La télévision, schreef Jean-Philippe Toussaint een vrolijke en sprankelende roman die zelf de beste illustratie is van waar het in dit boek om gaat: Laat die televisie maar uit, lees een boek.