Nieuwe editie van Het land van herkomst; Het geordende labyrint van Du Perron

E. Du Perron: Het land van herkomst. Geannoteerde uitgave, verzorgd door F. Bulhof en G. J. Dorleijn. G.A. van Oorschot, 1079 blz. ƒ99,-

In zijn bespreking van het in 1935 verschenen Het land van herkomst schreef Simon Vestdijk dat E. Du Perron (1899-1940) met deze roman een voor Nederlandse verhoudingen hoogst bijzonder, zelfs uniek boek had geschreven.

Een psychologische intrige ontbrak en van enige compositie leek geen sprake.

In plaats daarvan schotelde de auteur zijn lezers een schijnbaar ondoorzichtige warwinkel voor van jeugdherinneringen, overdenkingen, gespreksverslagen en dagboekfragmenten.

Du Perron schreef in de uitgeversprospectus dat hij dit procedé had gevolgd om de 'projectie van een leven' te construeren. De samenhang van zijn werk berustte op de hoogst persoonlijke betekenis die de schrijver hechtte aan de uiteenlopende ervaringen die in het boek werden beschreven. Hij vertelt wie hij is geweest, hoe hij reageert op de mensen en gebeurtenissen om hem heen, met de bedoeling het karakter te ontleden van zijn literaire alter ego, Arthur Ducroo. Dat dit personage geen duplicaat kon zijn van zijn eigen ik, realiseerde Du Perron zich heel goed: 'Men kan immers', zo schrijft hij in de roman, 'zichzelf niet weergeven, men legt zich neer bij de teorie dat men op zijn best een dubbelganger van zichzelf maakt.'

Niettemin deed hij in Het land van herkomst een gedreven poging de essentie van zijn bestaan bloot te leggen, via de evocatie van een ervaringswereld die was gegroepeerd rond het kernthema van de grote liefde. Kort voordat hij met het schrijven van zijn roman begon, was Du Perron getrouwd met Elizabeth (Bep)

de Roos, in het boek Jane. Zij was voor hem de 'ene', zonder wie dit boek niet zou zijn geschreven. 'Ik heb het gevoel dat Bep en Ducroo de enige 2 dingen zijn die ik 'gerealiseerd' heb', schreef hij in een brief aan de dichter Hendrik Marsman, in het volle besef van de samenhang tussen deze twee 'prestaties'.

Het land van herkomst is een liefdesbetuiging in de vorm van een zelfportret, met als sleutelmotief een kwellend gevoel van jaloezie. Arthur Ducroo maakt er geen geheim van dat hij geobsedeerd is door de verhoudingen die Jane voorheen met andere mannen heeft gehad. Zijn eigen amoureuze avonturen hebben in de roman een prominente plaats gekregen. Hij wil Jane kennis laten nemen van zijn liefdesverleden, in de hoop dat zij op haar beurt hem zal uitnodigen deelgenoot te worden van haar vroegere intimiteiten. Ducroo is in de ban van het verlangen ook die kant van haar persoonlijkheid te leren kennen.

In Het land van herkomst wordt duidelijk dat zij tot nu toe heeft geweigerd hierop in te gaan. Ducroo noemt het een 'voornaam punt van geschil' tussen hen beiden dat zij het verleden wil afzweren. Ze zegt dat ze niet van haar vroegere zelf kan houden ('Ik houd niet van mijn jongere zusjes'). Indirect wordt haar houding door hem bekritiseerd, als hij de herinnering ophaalt aan de reactie van zijn vader op de vraag of zijn ouders al voor hun huwelijk een verhouding hadden. Al wat vóór je is geweest, gaat je niet aan, antwoordt zijn vader. Ducroo reageert met het verwijt dat dit soort overwinningen op het verleden makkelijk is 'voor wie gezegend werd met weinig verbeeldingskracht'.

Het wordt hem niet gemakkelijker gemaakt als blijkt dat de weigerachtigheid van Jane steun vindt bij zijn vriend Héverlé (in werkelijkheid de Franse schrijver André Malraux). In een van hun tintelende dialogen bezweert Ducroo dat zijn geobsedeerdheid met de vroegere affaires van Jane niet het resultaat is van bezitsinstinct, maar van 'de drang naar het volstrekte'. Hij wil haar 'geheel', dat wil zeggen inclusief haar vroegere ervaringen, om te ontdekken wat haar 'wezenlijke aard' is. Het land van herkomst laat zich lezen als een literaire smeekbede aan de geliefde om dezelfde openhartigheid te betonen die voor Ducroo uitvloeisel is van zijn verlangen 'te leven volgens de eigen aard'.

Nauwgezetheid

Ruim zestig jaar nadat de eerste druk van Het land van herkomst verscheen, is nu een wetenschappelijke editie uitgekomen, bezorgd door de hoogleraren Nederlandse letterkunde F. Bulhof en G. J. Dorleijn. Zij hebben gekozen voor de uitgave van een door Du Perron in 1936 herziene tekst van de roman, die werd aangetroffen in de nalatenschap van de in 1981 gestorven Elizabeth de Roos. Op een groot aantal plaatsen wijkt deze versie zowel stilistisch als inhoudelijk af van de een jaar eerder verschenen eerste druk. Deze keuze voor de laatste door de auteur geautoriseerde tekst is alleszins te billijken, zeker in combinatie met het hoofdstuk 'Aanpassingen', waarin de twee redacteuren met grote nauwgezetheid de verschillen met de eerste druk aangeven.

Hun annotatie en aantekeningen bij de roman en bij het zogeheten Greshoff-exemplaar (waarin Du Perron voor zijn vriend Greshoff duidelijk maakte wie wie was in Het land van herkomst), maar ook de uitvoerige receptiegeschiedenis geven blijk van een eruditie die voor de Du Perron-liefhebber een genot is om ter beschikking te hebben. Bovendien is een bibliografisch overzicht opgenomen van recensies en studies, terwijl de vele niet eerder afgedrukte foto's uit de albums van de familie-Du Perron om van te smullen zijn.

Hadden Bulhof en Dorleijn het hierbij gelaten, dan zou men van een voorbeeldige uitgave kunnen spreken. Zij hebben echter gemeend in hun hoofdstuk 'Beschouwingen' ook nog een eigen interpretatie van Het land van herkomst te moeten geven die vaak blijk geeft van een storende drang tot moraliseren en van bot onbegrip voor de literaire kwaliteiten van deze roman.

Dat laatste komt bijvoorbeeld naar voren in hun benepen uitleg van het jaloezie-thema, dat ook volgens Bulhof en Dorleijn in de roman een kernmotief is. In de slotpassage van het hoofdstuk 'Alle wegen...' drukt Ducroo nog eens uit dat hij zijn gevoelens, gedachten en twijfels heeft uitgestald uit liefde voor Jane: 'Jane - in de grond komt alles daarop neer; of liever, waar het mijn verleden betreft voeren alle wegen van de herinnering tot haar: tot wie werkelik het brandpunt is, de éne grondige verandering in mijn leven...'

Bulhof en Dorleijn leiden uit deze passage af dat Ducroo zijn vrouw op 'ongeloofwaardige' wijze probeert wijs te maken dat zijn vroegere vrouwengeschiedenissen 'doelgerichte banen' waren naar het huwelijk met haar.

De jaloezie, aldus de twee bezorgers, maakt hem zo blind dat hij zichzelf vrijspreekt van erotische avonturen die hij zijn vrouw nooit zou vergeven, omdat hij een onbeperkte aanspraak op haar maakt. Zij berispen Ducroo voor deze dubbele moraal, die aan de vrouw niets en aan de man alles toestaat.

Even later komt het hoge woord eruit: Ducroo, zo zeggen Bulhof en Dorleijn de eerder door M. Bal geuite beschuldiging na, is een 'seksist'. Vrouwen worden in Het land van herkomst 'veracht en vernederd'. Als een van de slachtoffers noemen zij vreemd genoeg Teresa (in werkelijkheid de Italiaanse Clairette Petrucci), die tot Ducroo's ontmoeting met Jane zijn grote liefde is. Zij houdt zijn avances echter af. Het is een raadsel hoe de twee bezorgers uit het zuivere beeld dat Ducroo van deze voor hem wanhopige verhouding schetst, kunnen afleiden dat hij Teresa niet accepteert 'als mens'.

Tekortkoming

Maar afgezien daarvan: is de kwaliteit van een roman afhankelijk van de mate waarin het hoofdpersonage zich aardig en netjes gedraagt? Hier raken we aan de grootste tekortkoming van de 'Beschouwingen' die Bulhof en Dorleijn ten beste geven. Ze verklaren dat ze in een 'ophelderingsproces' het 'werkelijkheidsaspect' van de roman willen 'constitueren'. Als ze bedoelen dat ze de biografische en historische achtergronden willen toelichten, dan kan van een prijzenswaardige intentie worden gesproken. Bij de uitvoering hebben ze echter de fout gemaakt hun kennis te filteren volgens de eisen van de hedendaagse politieke correctheid en vervolgens te gebruiken om de roman te beoordelen op criteria die met literaire maatstaven niets te maken hebben.

De jeugdervaringen van Ducroo spelen zich af tijdens de eerste twee decennia van deze eeuw in de koloniaal-Indische samenleving. Bulhof en Dorleijn beginnen hun schets van deze maatschappij, heel typerend, met een vrome belijdenis van goed gedrag. 'Er worden', schrijven zij, 'in dit commentaar geen pogingen gewaagd dat verleden te vergoelijken of te te verdoezelen...

Verheerlijking is wel het laatste wat wij beogen.' Ducroo wordt vervolgens verweten geen oog te hebben voor bepaalde kwalijke aspecten van het kolonialisme.

Erger nog, hij blijkt een 'racist' te zijn, zo constateren ze, opnieuw in navolging van M. Bal. Deze twee beoefenaren van de literatuurwetenschap hebben kennelijk niet door dat Du Perron met de door hen verfoeide 'deplorabele details' en 'belastende citaten' de wereld van zijn jeugd zo waarachtig mogelijk, op een literair overtuigende wijze, heeft willen weergeven. Bulhof en Dorleijn nuanceren hun verwijt door te melden dat Ducroo zijn koloniaal-racistische standpunten later heeft overwonnen, maar ook dat argument heeft niets te maken met een literaire maatstaf.

Het droogstoppelgehalte van hun beschouwingen is nergens zo hoog als in de paragraaf waarin zij de stijl van Du Perron bespreken. Verwijzend naar een artikel van de Vlaamse publicist Guy Decoene over het 'erbarmelijke Nederlands van Du Perron', hebben Bulhof en Dorleijn een inventaris samengesteld van de stilistische eigenaardigheden die in Het land van herkomst zijn te vinden. Du Perron zelf heeft laten weten zich bewust te zijn geweest van de taal- en stijlfouten in de roman, maar die terwille van de spontaniteit te hebben laten staan.

De twee commentatoren beamen dat deze slordigheid bijdraagt aan de 'grote kracht' van het boek, maar komen vervolgens niettemin tot de conclusie dat het aantal taalgebreken te groot is om het 'klassieke' karakter van de roman te kunnen toeschrijven aan stilistische kwaliteiten. Het werk is volgens hen vooral te waarderen om de inhoud, die voortreffelijk de 'persoonlijke en politieke problemen' van een generatie verwoordt.

Steriele poging

Deze steriele poging om inhoud en stijl los te koppelen bewijst eens te meer dat Bulhof en Dorleijn blind zijn voor de bijzondere kwaliteiten van Het land van herkomst. In zijn bespreking noemde Simon Vestdijk de roman terecht een 'veroverend' boek. Du Perron sleept zijn lezers mee door een labyrint dat slechts in schijn elke ordening mist.

De eenheid wordt gecreëerd door een eigenzinnige toon die, inclusief taal- en spelfouten, de uitdrukking lijkt van een levenshouding. De persoonlijke ervaringen van de schrijver en de manier waarop hij daarvan verslag doet, vloeien samen tot een melodieuze compositie die een vervoerende uitwerking heeft, althans op de lezers die bereid zijn hun oren open te houden. Ducroo lijkt aanvankelijk verdwaasd rond te dwalen door het versplinterde universum van zijn ervaringen, maar blijkt gaande weg steeds meer een man met eigenschappen te zijn. Het land van herkomst is een explosie van authenticiteit die ook ruim zestig jaar na verschijning nog een grote bekoring heeft.