Hulp van familie het beste bij rouw

ROTTERDAM, 21 FEBR. Professionele rouwbegeleiding, bijvoorbeeld door een maatschappelijk werker of psychiater, heeft vaak tot gevolg dat de mensen uit de privé-omgeving van de nabestaande zich terugtrekken of minder actief worden. Mensen die rouwen om het overlijden van een partner hebben over het algemeen meer baat bij steun van familie of vrienden dan bij professionele hulp.

Dat stelt klinisch psycholoog en psychotherapeut J. de Keijser in zijn proefschrift Sociale steun en professionele begeleiding bij rouw. “De rouwverwerking is te veel gemedicaliseerd en gepsychiatriseerd”, vindt De Keijser. Hij promoveerde deze week aan de Rijksuniversiteit Utrecht.

Eenzaamheid is volgens De Keijser het grootste probleem van mensen die een partner hebben verloren. “De beste remedie daartegen is een nieuwe partner zoeken. Daar pleit ik dan ook voor.” De Keijser werkt bij de provinciale instelling voor geestelijke gezondheidszorg GGZ-Friesland in Leeuwarden. Hij adviseert mensen in de praktijk niet om een nieuwe partner te zoeken. “Ze zouden me opknopen. En terecht. Ik probeer ze te prikkelen om er zelf over na te denken.” Volgens De Keijser wil 60 procent van de nabestaanden na twee jaar nog steeds geen nieuwe relatie, eenderde van hen voelt zich bovendien nog steeds eenzaam. “Dat vind ik een heel hoog percentage.” De eenzaamheid leidt vaak tot depressies, zegt hij. “Die 20 procent loopt een groot risico op chronische depressiviteit.”

Nadeel van 'sociale steun' door familie en vrienden is volgens De Keijser dat die steun na een jaar afneemt. “Terwijl rouwenden juist dán meer open gaan staan voor hulp, er meer van profiteren.” De Keijser pleit voor rouwbegeleiding door “lotgenoten”, geen beroepshulpververleners maar leken die zelf een partner of gezinslid hebben verloren. “Ze moeten natuurlijk wel een stuk verder zijn in het verwerkingsproces.” De vrijwilligers zouden een part-time opleiding tot rouwbegeleider moeten krijgen. “Het moeten wel mensen zijn met enig vermogen tot reflectie.” In Groot-Brittannië bestaat al een dergelijk netwerk, met duizenden vrijwilligers. “Dat werkt daar prima.”De Keijser verwerpt de suggestie dat de vrijwilligers door de opleiding die ze krijgen en de ervaring die ze opdoen een soort professionele hulpverleners worden, waardoor het voordeel van begeleiding door leken teniet zou worden gedaan. “Ze hebben zelf ook iemand verloren. Dat is het grote verschil.” Nabestaanden zien een lotgenoot meer als one of us, zegt hij.

De vrijwilligers zouden moeten worden geselecteerd en opgeleid door maatschappelijk werkers en psychologen. Verder moet de rol van de hulpverleners sterk worden teruggedrongen, vindt De Keijser. Alleen nabestaanden die na een jaar nog steeds ernstige problemen hebben, zouden in aanmerking moeten komen voor professionele hulp. De Keijser volgde vierhonderd nabestaanden twee jaar lang. Hij had de mensen “op gepaste wijze” aangeschreven naar aanleiding van rouwadvertenties. “We hebben duizend brieven verstuurd en hebben maar één klacht gekregen.” De respondenten zijn geïnterviewd en hebben enkele vragenlijsten beantwoord; 66 mensen die na een jaar nog steeds veel klachten hadden, kregen professionele hulp van een maatschappelijk werker. Een vergelijkbare controlegroep met dezelfde klachten kreeg geen hulp.

Over de recente reeks kindermoorden laat De Keijser zich liever slechts uit in algemene termen. “Ik geloof dat het in twee van de negen gevallen ging om iemand die zijn partner had verloren. Maar ik weet er te weinig van. Wat ik ervan weet, heb ik uit de media.” Hij wil wel kwijt dat “in theorie” twee oorzaken” mogelijk zijn. “Die man in Krimpen aan de IJssel wilde geloof ik herenigd worden met zijn vrouw. Een soort gezinshereniging na de dood. Dat hoor je heel vaak.” Iemand missen roept volgens De Keijser ook vaak woede en agressie op. Hij ziet daarin de tweede mogelijke oorzaak. Normaliter hebben rouwenden “voldoende realiteitszin”; de woede en agressie leiden dan niet tot kindermoord. “Maar mensen die hun kind vermoorden hebben die realiteitszin kennelijk niet.”