Homosporter blijft in de kast

ARNHEM, 21 FEBR. Wanneer over homoseksuelen in de sport wordt gesproken ontbreekt voetbalscheidsrechter John Blankenstein zelden. In homoseksuele kringen heeft hij al bijna een standbeeld verdiend voor de manier waarop hij zich handhaaft in de sportwereld, waar stoere mannen de toon zetten.

Zijn naam werd gisteren op het symposium 'Samen en Apart' zoveel genoemd dat hij er van ging blozen. “Ik hoef echt niet zo nodig”, zei Blankenstein later. “Het wordt tijd dat anderen in de voetbalwereld er eens voor durven uit te komen.”

“Homosporters kom uit de kast”, zei staatssecretaris Terpstra van Sport. Homoseksualiteit is nog steeds een taboe in de sportwereld, zo bleek gisteren op Papendal bij het symposium van de overkoepelende sportorganisatie NOC*NSF over homoseksualiteit in de sport. In Nederland wordt het aantal homoseksuele sporters geschat op 350.000, vijf procent van het totale aantal sportbeoefenaren. Daarvan zijn er 2.500 lid van homo-sportclubs.

Homoseksuele sporters slaan op de vlucht of verschuilen zich achter 'een muur van zwijgen', zo stelde G. Hekma, docent homostudies aan de Universiteit van Amsterdam, vast in een onderzoek. Dat is ook niet zo vreemd, zei Hekma gisteren. “Een homofoob als John de Wolf zei ooit dat hij geen bezwaar had tegen homo's zolang hij er maar niet mee hoefde te douchen.”

Voetballer Wensley Ton werd tijdens een gespreksronde een microfoon voorgehouden met de vraag of hij 'er' voor uit zou komen wanneer hem dat gevraagd werd. Hij zweeg. Ton tekende op zijn zeventiende een vierjarig contract bij eerste-divisieclub Helmond Sport. Na twee jaar vroegen zijn collega's waarom hij zich 'anders' gedroeg: hij ging nooit mee naar de kroeg, hij had geen vriendin.

“Met die microfoon sla ik dicht”, verklaarde hij later zijn verlegenheid. “Bij Helmond Sport heb ik tenslotte verteld dat ik anders leefde. Daarna werd het nog moeilijker. Toen mijn contract afliep, werd het niet verlengd. Ik kon nog naar een andere club, maar ik was afgeknapt. Voetballers praten over voetbal, auto's, drank, vrouwen en winnen. Die competitiedrang, altijd de beste willen zijn, vind ik vreselijk. Als ik nog eens terugkeer, zou ik laten zien wie ik ben en wat ik voel, misschien om te provoceren. Maar ik ben bang dat het mij niet lukt. Open zijn, zonder provoceren en zonder te schreeuwen dat je anders bent, zoals Blankenstein, dat kunnen er weinig.”

Voorzitter J. Sprengers van de voetbalbond zei mee te voelen met sporters die gediscrimineerd worden. “Maar afzonderlijke homoseksuele verenigingen, daar is de voetbalwereld nog niet aan toe.” Desgevraagd zei Sprengers nog: “Laten we elkaar geen mietje noemen. Wanneer in de voetbalwereld homoseksuelen zich afzonderen en naar buiten treden is het einde zoek. Dat kan de voetbalwereld niet hanteren.”

De reactie van oud-profvoetballer Wensley Ton daarop luidde: “Angst heeft de bond, en geen gevoel voor mensen zoals ik.”

Pag.9: Staatssecretaris vraagt om openheid

Anders zijn en ook willen meesporten, dat was waar de mannen en vrouwen op het symposium 'Samen en Apart' over homoseksuelen in de sport gisteren op uit waren. Sport en verbroedering; wie deze symbiose heeft bedacht, kent de wereld niet. Mevrouw N. Garrelfs van de Nederlandse Culturele Sportbond haalde het sprookje van 'het lelijke eendje' aan en hield een verhaal over de verbanning van het afwijkende en de kracht om je plaats te vinden in de maatschappij, in dit geval de plaats in de sport.

Garrelfs sprak trefzekere taal: “Het is enerzijds de ijdelheid en angst van degenen die zeggen 'normaal' te zijn en anderzijds de behoefte aan geborgenheid en bescherming van mensen met een homoseksuele geaardheid. Ieder mens heeft een basis nodig om zich te ontwikkelen vanuit een veilige omgeving.” Ze praatte over beeldvorming, ontkenning, onbegrip en verschuiving van het probleem. Ze verwees verwijtend naar de sportbonden, waarvan er gisteren op het symposium maar vijf van de honderd waren vertegenwoordigd, terwijl op 20 november 55 bonden een handvest tegen discriminatie en voor Fair Play hebben ondertekend. Waar waren al die bonden?

Onbegrip is een reden voor de meeste homoseksuele sporters om zich terug te trekken in 'homoland', een term die dag-voorzitster A.L. van der Stoel zich liet ontvallen. Volgens het gepresenteerde rapport 'Seksueel Onbekend' van L. Stöpler en J. Schuyf is het aantal homoseksuele sportclubs de afgelopen jaren sterk toegenomen. Zo'n 2.500 homosexuele sporters zijn lid van een aparte sportclub. Ongeveer de helft van de homoseksuele sportclubs is geïntegreerd in 'algemene' clubs en streeft dit ook na. Iets minder dan de helft wil helemaal niet integreren. Het behoud van eigen identiteit geniet een hoge prioriteit. Bovendien wordt de sfeer in homosportclubs als gezelliger en open ervaren.

J. Masman, bestuurslid van NOC*NSF, zei te begrijpen dat veel 'homosporters' zich niet voldoende op hun gemak voelen bij bestaande sportverenigingen. Daarom zal binnen de sportverenigingen een actief beleid moeten worden gevoerd dat zich richt op sfeerverbetering: optreden tegen pesterijen en het tegengaan van discriminatie.

Gaandeweg het symposium sloten de gelederen zich steeds meer. Homosporters worden niet getolereerd en daarom klinkt de roep om homosportverenigingen steeds luider, was de conclusie. “Een assertieve opstelling kan een nieuwe impuls geven aan het bereiken van een gelijkwaardige positie in de sport”, stelde staatssecretaris Terpstra via een video-boodschap op een beeldscherm. De meerderheid reageerde instemmend, maar zoals veel homosexuelen hebben ervaren is openheid niet een gemakkelijke manier om geaccepteerd te worden.