Het zoeken, niet het vinden

Markku Peltonen (red.): The Cambridge companion to Bacon. Cambridge University Press. 372 blz. ƒ43,95

Francis Bacon (1561-1626) is als denker op een heel hoog voetstuk geplaatst, maar zelden echt serieus genomen. Zijn naam is vrijwel vanaf het begin gebruikt als een vlag op een lading die met zijn eigen ideeën weinig te maken had. In de tweede helft van de zeventiende eeuw nam in Engeland het natuuronderzoek een hoge vlucht. In 1660 werd de Royal Society opgericht en het werk van geleerden als Boyle, Hooke, Newton, Halley en anderen werd een mijlpaal in de geschiedenis van de wetenschap. De Engelsen waren terecht trots op hun nationale helden en hadden weinig lust om te erkennen dat hun prestaties een uitwerking waren van het programma van buitenlandse voorgangers als Galilei of Descartes. Nee, hielden zij vol, de Engelse (zo niet de Europese) wetenschap was het resultaat van een traditie van eigen bodem. Want hadden de Engelsen in Francis Bacon niet een filosoof voortgebracht die al omstreeks 1600 een compleet programma voor het natuuronderzoek had ontworpen?

Bacon werd aldus tot heraut van de moderne wetenschap uitgeroepen, een van de sleutelfiguren in wat sindsdien de wetenschappelijke revolutie is gaan heten.

Dat heeft zijn naam veel goed maar ook veel kwaad gedaan. Want toen men in de vorige eeuw de vraag stelde wat Bacon nu concreet voor de wetenschap en de vooruitgang had betekend, viel hij snel door de mand. Zijn methode was welbeschouwd onbruikbaar, de betekenis van de wiskunde ontging hem te enen male, en hij had geen oog voor fundamentele ontdekkingen als die van Copernicus. De enige betekenis die men hem tenslotte wilde toekennen was die van propagandist. Bacons reputatie was uitsluitend te danken aan zijn bloemrijke taal.

Deze kritiek heeft een heilzame corrigerende werking gehad. Maar hij was vaak evenzeer door nationalistische sentimenten ingegeven als de eerdere verheerlijking (niet toevallig begon deze kritiek in Duitsland) en deels ronduit onbillijk. Men veroordeelde Bacon omdat hij niet voldeed aan een profetenrol die men hem eerst zelf had opgedrongen. Immers, de kritiek veronderstelt nog steeds dat Bacons betekenis aan het moderne wetenschapsideaal moet worden afgemeten, en juist dat kan men zich afvragen.

Bacon was onmiskenbaar een denker uit de tijd vóór de Wetenschappelijke Revolutie. Daarmee wil ik niet missers als zijn verwerping van het Copernicaanse stelsel goedpraten, want dat zijn uiteindelijk details. De barrière die de wetenschappelijke revolutie tussen ons en Bacon heeft opgeworpen is veel dieper. Bacon leefde in een wereld die ons ten enen male vreemd is geworden.

Wie een overzicht wil hebben van de filosofie van Bacon moet zich dan ook bewust zijn dat hij een gebied betreedt dat is bezaaid met voetangels en klemmen. De nieuwe Cambridge companion to Bacon biedt een aantal bijdragen van erkende specialisten. Over het algemeen zijn schrijvers en samensteller er zeer op gespitst Bacon te plaatsen tegen de achtergrond van zijn eigen tijd, niet als profeet van onze wetenschap. Behalve bijdragen over Bacons ideeën over de natuur, de methode en wetenschap en kennis in het algemeen, is er bijvoorbeeld een omvangrijk artikel over Bacon en de retorica - in die tijd een fundamenteel filosofisch basisvak, maar volstrekt marginaal in de huidige filosofie. Andere artikelen gaan over Bacons bijdragen aan de geschiedschrijving en de politieke en morele filosofie.

Niettemin blijkt het ook hier moeilijk het eeuwenlang gekoesterde beeld geheel te negeren. Zo mocht een hoofdstuk over 'Bacon as an advocate for cooperative scientific research' kennelijk niet ontbreken. Een hardnekkige mythe wil dat Bacon de blauwdruk heeft geleverd voor de Royal Society, zo niet voor het verschijnsel wetenschappelijke academie als zodanig. In New Atlantis schetste hij namelijk een utopische staat waar een orde van wijze mannen, verenigd in 'Salomon's house', het welzijn van de gemeenschap bestiert. Deze beschrijving heeft later vooral in Engeland een legitimerende rol voor de academies gespeeld. Het desbetreffende hoofdstuk in de Companion maakt een wat tweeslachtige indruk. Enerzijds wordt lippendienst bewezen aan Bacons vooruitziende blik, anderzijds worden de betreffende gedeelten van New Atlantis accuraat behandeld. Zelfs aan oppervlakkige lezers moet dan wel het wezenlijke verschil tussen Bacons idealen en de moderne wetenschappelijke praktijk opvallen. De schrijfster gaat op deze discrepantie verder maar niet in.

Bij gewetensvolle bestudering van de teksten blijft van Bacons veelgeroemde moderniteit inderdaad maar weinig overeind staan. Het meest schokkend zijn wat dat betreft wel de stukken die het onderwerp behandelen waar men die moderniteit het meest vanzelfsprekend aanwezig achtte, het onderzoek van de natuur. Bacons ideeën over hoe de wereld in elkaar zat moeten ieder die geen grondige kennis heeft van allerlei esoterische zestiende-eeuwse gedachtenstromingen wel uitermate bizar voorkomen.

Begrijp mij goed, historisch is Bacons werk van onmiskenbare betekenis. Hij was de eerste westerse filosoof die de kennis der natuur, opgevat als het geheel van afzonderlijke dingen, tot een hoofdonderwerp maakte. 'Ken u zelve' luidde traditioneel het beginsel van alle wijsheid. Bacon spoorde aan om vooral ook de wereld om je heen goed te onderzoeken. Niet dat zijn tijdgenoten daar veel aansporing voor nodig hadden. Het was de tijd van de grote ontdekkingen. Artsen, botanici, sterrenkundigen en geografen waren al decennia voor Bacons oproep druk bezig met het kritisch in kaart brengen van oude en nieuwe kennis. Maar niemand had hun werk eerder in een algemeen wetenschappelijk kader proberen te plaatsen. Hier verrichtte Bacon, op zijn achteraf onbeholpen aandoende manier, pionierswerk.

Maar voor een boek dat verschijnt in een reeks gewijd aan grote filosofen is het resultaat misschien toch wat ontluisterend. In de filosofie gaat het tenslotte om de betekenis van ideeën, voor het hier en nu, of nog liever voor de eeuwigheid. Bacons ideeën zijn vanuit filosofisch perspectief volstrekt gedateerd. Inderdaad blijkt niet elke schrijver daar gelukkig mee. Zo meent Michel Malherbe zijn opstel over Bacons methodologie met een verontschuldiging te moeten beginnen: Bacons inductie was een doodlopende weg, maar is niettemin het bestuderen waard als uitdrukking van 'the real and lasting problems of the methods of modern science.' Ik denk dat de wens tot actualisering hier misplaatst is. Ik moet bekennen dat ik Bacons ongetwijfeld achterhaalde, maar niettemin fascinerende uiteenzettingen verre prefereer boven halfslachtige pogingen om in zijn gedachten toch nog een actuele relevantie te vinden. Bacon leefde in een wereld die met reuzenschreden veranderde en waar de bestaande kennis niet meer voldeed. Wat zijn geschriften zo boeiend maakt is dat hier een scherpzinnige, weetgierige geest op zoek gaat naar nieuwe wegen, zeker niet met een altijd even gelukkig resultaat, maar borrelend van ideeën en met een durf die in andere tijdvakken zelden geëvenaard is. Het is het zoeken, niet het vinden, dat de zestiende-eeuwse filosofie kenmerkt - en daarin is Bacon een hoogtepunt.

    • Rienk Vermij