Het onrustige mannenoog

Diane Purkiss: The Witch in History. Early Modern and Twentieth-Century Representations. Routledge, 296 blz. ƒ47,-

Jo Ann Kay McNamara: Sisters in Arms. Catholic Nuns Through Two Millennia. Harvard University Press, 751 blz. ƒ77,90

Vrouwen zijn voor mannen vaak 'madonna of hoer', 'heks of heilige'.

Die extreme benamingen drukken de sterke gevoelens van lust en onlust uit die mannen over vrouwen hebben. De botte manier waarop mannen een vrouw tot voorwerp van kuise aanbidding òf van ongeremde driftbeleving maken, is het resultaat van hun strijd tegen deze aanvechtingen. Zodoende wordt de ene groep vrouwen seksueel taboe verklaard, en een andere vogelvrij.

In oudere maatschappijvormen, waar geweld een grote rol speelde, was een dergelijke grove indeling tot op zekere hoogte begrijpelijk. Ze bood vrouwen zelfs een bepaalde veiligheid of bewegingsvrijheid. De prijs voor de veiligheid was dienstbaarheid, de vrijheid werd gekocht met seksuele beschikbaarheid.

Vandaag zal geen man, desgevraagd, van mening zijn dat de vrouwen in deze twee hokjes zijn onder te brengen. Maar alle vrouwen kleeft bij tijd en wijle die oude vooringenomenheid van het onrustige mannenoog nog aan.

Het verzet tegen deze tweespalt is een legitimatie voor het feminisme. In de 'gender studies' houdt men zich al jaren bezig met het onderzoek naar deze beeldvorming over vrouwen. Steeds rijst daarbij de vraag in hoeverre heksen en hoeren 'mannenfantasieën' zijn of juist aspiraties van vrouwen. Over deze uiterste verschijningsvormen hebben onlangs twee vrouwen gepubliceerd: de één over heksen, de ander over nonnen.

Diane Purkiss is een Engelse letterkundige, gespecialiseerd in Elisabethaanse teksten van en over vrouwen. Haar geschiedenis van de heks is gebaseerd op processtukken uit de zestiende eeuw, femmes fatales uit de negentiende-eeuwse literatuur, feministische geuzenverhalen over de goede heks en wonderlijke verklaringen uit hedendaagse heksenkringen. Over al die zaken heeft de schrijfster interessante dingen te zeggen, maar uiteindelijk blijken ze vooral een aanloop tot een kritische analyse van de witches on stage bij Shakespeare.

Tegenover diens boze heksen staan feministische teksten die van de nagedachtenis van deze Elisabethaanse zusters juist een cultus hebben geschapen. Teksten zoals deze: 'De oude vrouw draagt een mandje met kruiden en wortels die ze heeft verzameld. (...) Al eeuwen heeft zij onder deze bomen gelopen, kruiden geplukt en te drogen gelegd op de vensterbanken thuis. Altijd zijn de dorpelingen naar haar toegekomen, haar handen helen, en kunnen een kind in de buik keren. Haar murmelende stem kan de pijn wegtoveren, en de rustelozen in slaap neurien.'

Arrogantie

De schrijfster neemt afstand van dit soort 'herstory', zoals radicale vrouwen 'history' noemen. Ze verwijt de mannelijke geschiedschrijvers weliswaar ongevoeligheid en arrogantie, maar met vleiende sprookjes neemt ze evenmin genoegen. Zoals ze ook niet toegeeft aan de giftige variant van zulke verhalen,waarin de kruidenvrouwtjes door boosaardige mannen worden vervolgd en verbrand. Door die lovenswaardige afkeer van gruwelverhalen onderscheidt Purkiss zich van de klassieke interpretatie van de zestiende en zeventiende eeuw in Europa. Want de heersende opinie onder wetenschappers luidt dat de heksen en hekserij juist door vervolging en marteling in het leven zijn geroepen.

Niet bekend

Karnen en koken

Heksen moeten volgens Purkiss worden gezien tegen de achtergrond van de angst voor honger, verkommering en geweld op het platteland en het magisch verweer dat vrouwen daartegen voerden. Vrouwen hadden een dagtaak aan het melken, karnen, koken, spinnen, sprokkelen en weven. Vrouwen wierpen ook een dam op tegen een voortdurende bedreiging van de goede gang van zaken door onkruid, beestjes en vuil. Met handen en voeten moesten ze huis en haard verdedigen.

De meeste vrouwen hadden daarbij slechts twee eigenschappen in te brengen: een goede huishouding en een begeerlijk lichaam. Rond die twee elementen groepeerde zich alle angst, haat en nijd van vrouwen. Zij putten zich uit in reële en magische inspanningen om deze middelen te bewaren en te vergroten.

Omgekeerd schrokken ze er niet voor terug het kapitaal van hun buren en rivalen te beschadigen. De huishouding en het vrouwelijk lichaam leverden ook de substanties die voor de verdediging en de aanval gebruikt werden, zoals strootjes, haren, doekjes, spuug en bloed. 'Dirt' is de treffende verzamelnaam die antropologen aan deze huis-tuin-en-keuken tovermiddelen hebben gegeven.

De heksenvervolging beleefde hoogtijdagen onder de maagdelijke koningin Elisabeth I (1558-1603), die haar leven lang door haar vijanden voor heks is uitgemaakt, en Jacobus I (1603-1625), een koning die graag een eigen stempel op de rechtzinnigheid drukte (hij verspreidde de King James Version van de Bijbel). Purkiss is zich wel degelijk bewust van de omstandigheden waaronder heksen toen 'ontdekt' werden. Maar de grote politiek moet het in haar analyse toch steeds afleggen tegen de huishoudproblematiek. Daar ontkiemt immers de vrouwelijke toverij. Dit sociaal-realisme doet Purkiss fel van leer trekken tegen de 'toneelheksen' die de gunst van het publiek gestolen hebben.

Shakespeare en zijn collega's worden er door haar van beschuldigd 'de druk op vrouwen te hebben vergroot, en walgelijk ongevoelig te zijn voor de sociale gebeurtenissen om hen heen'.

Het bestaan van nonnen zal niemand in twijfel trekken. Jo Ann McNamara, een Amerikaanse historica, heeft eerdere studies van vroeg-christelijke en middeleeuwse religieuzen uitgebreid tot een compleet overzicht van tweeduizend jaar vrouwelijke devotie. Haar verhaal loopt van Jezus' leerlingen Maria en Martha tot Moeder Theresa. In die twee millennia beleefde het christendom zijn opgang en neergang, maar voor het zusterschap is naar McNamara's overtuiging nog een grote toekomst weggelegd.

Wat alle uiteenlopende vormen van Godgewijdheid gemeen hebben, is de maagdelijkheid, of ten minste de kuisheid. Dankzij seksuele onthouding is het nonnenlichaam vrij van de gevaarlijke combinatie van bekoring en bederf waar Purkiss' heksen onder lijden. Onder de eerste christenen verkeerden vrome mannen en vrouwen nog vrijmoedig samen. Kerkvaders als Origenes en Hiëronymus beschouwden de kuise omgang van mannen en vrouwen als een afspiegeling van de paradijselijke levenswandel. Net zo oud als het verlangen naar zo'n engelachtige verhouding tussen mannen en vrouwen zijn echter de stemmen die waarschuwden voor de zwakheid van de geslachten. Daarom heeft het kerkelijk gezag zich altijd sterk gemaakt voor een veilige scheiding van mannen en vrouwen in eigen gemeenschappen.

McNamara doet geen moeite haar sympathie voor een vrijwillige en platonische verhouding tussen mannen en vrouwen te verbergen. In weerwil van haar pogingen,is het echter moeilijk aan de vrouwelijke religieuzen iets bijzonders te ontdekken. De eerste duizend jaar volgden de meesten de organisatorische en liturgische voetstappen van hun mannelijke evenknieën. Hoewel de uitsluiting van hogere wijdingen de nonnen bij de monniken achterstelde, was de arbeidsverdeling nog wel zo eenvoudig dat het verschil tussen mannen- en vrouwenarbeid niet erg groot was. Maar de twee kloosterhervormingen in de hoge middeleeuwen, allebei onderdeel van een grote maatschappelijke beweging die tot arbeidsdeling en specialisatie aanmoedigde, zetten de nonnen op een ander spoor dan de monniken.

In de elfde en twaalfde eeuw verhieven zich in de landen langs Rijn en Maas tal van mystieke stemmen onder vrouwen. Ze vertolkten een innige en persoonlijke beleving die achteraf zowel modern als vrouwelijk kan worden genoemd. In de vijftiende en zestiende eeuw vond een nieuwe scheiding tussen mannen en vrouwen plaats, toen in het kader van Reformatie en Contra-Reformatie de ordes van hogerhand tot een keuze tussen een contemplatief of een wereldlijk leven werden gedwongen. Veel vrouwelijke religieuzen kozen voor werk onder gevallen meisjes en zieken, of begaven zich in het onderwijs en de missie. Die disciplinering van de nonnen is lang niet altijd gemakkelijk verlopen en is zeker ten koste gegaan van een ongedwongen omgang tussen de seksen.

Purkiss en McNamara idealiseren beiden een schimmig verleden. In Purkiss' archaïsche dorp slaagden vrouwen er met toverkunst in hun bedreigde bestaan te verdedigen. In McNamara's vroege christendom wandelden mannen en vrouwen kuis koutend samen op. Maar de feministische studies van heksen en nonnen confronteren ons met meer dan de vraag naar de historische waarheid.

Huishouding, seksualiteit en voortplanting hebben eeuwenlang grote, en vaak tegenstrijdige, aanspraken op vrouwen doen gelden. Veel van die eisen zijn door technologische snufjes als de stofzuiger en 'de pil' makkelijker in te willigen. Maar voor sommige vrouwen en mannen is het voortdurende beroep op hun seksualiteit en dienstbaarheid moeilijk te verteren. Een permanente ontzegging van de seksualiteit is maar voor weinigen weggelegd. Niet veel mensen zullen hun leven aan verheven doelen wensen te offeren.

Maar kloostervrees (claustrofobie) hoeft een zekere mate van kuisheid en wereldverzaking niet in de weg te staan. De lekencongregaties, waarop McNamara voor de volgende eeuw haar hoop op heeft gesteld, zouden werkplaatsen kunnen zijn waarin vrouwen en mannen, gesteund door een minimum aan regels en sociale controle, voor een goede zaak samenwerken en samenwonen. Wie zich aan de balts- en nesteldriften van de samenleving wil onttrekken, zou voor kortere of langere tijd haar of zijn heil in zo'n vrijwillige gemeenschap kunnen zoeken.