Het esoterische leven van Gerben Hellinga; Ten prooi aan smacht

Gerben Hellinga: Wintervlinder. Een leven als mysticus. Bert Bakker, 256 blz. ƒ29,90

De jaren zestig, toen de verbeelding naar verluidt de wereld regeerde, hebben twee soorten kunstenaars opgeleverd. Zij die zich distantieerden van de hippie-droom, direct of toen die eenmaal een nachtmerrie was geworden, en met hun tijd probeerden mee te gaan. En zij voor wie de tijd lijkt te zijn bevroren in de blubber van Woodstock.

Met de eersten liep het vaak, bij gebrek aan kameleontische vaardigheden, slecht af. Zo is Bob Dylan, ooit boodschapper van het forever young, een verkreukelde vijftiger geworden die oud-testamentische liederen knarst en knauwt over het einde der tijden. Niet minder geniaal misschien, maar onmiskenbaar getekend door het leven. Anderzijds is daar zijn lichtgewicht concurrent van destijds, de Britse hippie Donovan, die het geheim van de eeuwige jeugd pas echt lijkt te hebben ontdekt. Nog even elf-achtig en onschuldig als toen, presenteerde hij onlangs na een winterslaap van twintig jaar een nieuwe cd met levensliedjes. Het is hartstikke leuk om te leven in de jaren negentig, zei hij er vrolijk bij.

Gerben Hellinga (60) is een jaren-zestig-man van de tweede soort. Destijds raakte deze thriller-auteur en toneelschrijver gefascineerd door magie, occultisme, mystieke wijsheid en wat er toen zoal nog meer in zwang was.

Dertig jaar later draait zijn motor nog op dezelfde mystieke smeerolie. Hij is paranormaal begaafd, gebruikt psycho-actieve drugs, heeft visioenen van Jezus, maakt psychedelische reizen naar hel en hemel en ziet UFO's op het strand van Goa. Dit alles in het bestek van dertig jaar schrijverschap, en veel reizen die hem vanuit zijn woonplaats in de kunstenaarsenclave Ruigoord onder andere voeren naar New York (hasj, DMT), India (I Ching, UFO's) en Groenland (een paar borrels, kruiend ijs). In Wintervlinder doet hij verslag van zijn leven als mysticus.

Wintervlinder is geen onsympathiek boek. Hellinga schrijft tamelijk nuchter en onbevangen over zijn levensloop. Spirituele verwaandheid is hem vreemd, al wordt zijn taalgebruik soms wat plechtig. Hij 'bestudeert' de kathedraal van Chartres, tot tranen toe geroerd. Hij 'beroert' een 'meisjesborst'. Zijn vader,een 'gepassioneerd' wetenschapper, onderbrak als het even kon 'zijn werkzaamheden' om de jonge Gerben iets uit te leggen. Die 'bestudeert' dan weer jarenlang het Chinese orakelboek de I Ching, en roept de hulp van het boek in bij het kopen van een auto en het voorspellen van de kansen van Ajax in het volgende seizoen (het ziet er goed uit).

Zijn droge stijl redt vooral het begin van dit boek, waarin Hellinga vertelt over zijn jeugd in een intellectueel schrijversmilieu, zijn moeilijke schooljaren en zijn neergang als drop out avant la lettre. Maar zodra de psychedelische revolutie eenmaal is aangebroken, gaat het mis en verliest de auteur zijn scherpte. In de nevelen van zijn kosmische reizen gaat de psychologische stuurmanskunst verloren. Vooral zijn eindeloze uiteenzettingen over orakelboeken gaan vervelen; het is allemaal al eens eerder verteld en Hellinga heeft ondanks al zijn praktijkervaring geen interessante observaties over de vraag hoe orakels werken, behalve dan dat hier kennelijk hogere machten in het spel zijn.

Opvallend genoeg stemt dit boek niet opgewekt, ondanks de kosmische boodschap die Hellinga het wil meegeven over 'het leven dat wil leven', maar eerder treurig. Een levenlang grasduinen in esoterica levert niet veel meer op dan, behalve natuurlijk die I Ching, een handjevol al te ernstig gepresenteerde drugs-ervaringen, van het type waar de vorig jaar overleden Amerikaanse LSD-handelsreiziger Timothy Leary in grossierde. Het is leuk voor de auteur, dat hij met een hoofd vol ketamine talloze 'kleine wezentjes' om zich heen ziet 'dwarrelen', maar zonder intellectuele uitwerking of verdieping, eenmaal weer met beide voeten op de grond, maakt zoiets niet meer indruk dan een wild ritje op de achtbaan.

Merkwaardig is daarom dat Hellinga, niet de domste, zich voortdurend schamper uitlaat over valse goeroes, spirituele oplichters en andere uitwassen van de 'god-business'. Zelf neemt hij voetstoots aan dat wat hij meemaakt ergens anders vandaan komt dan uit zijn eigen verbeelding. En wel uit een mystieke 'superwerkelijkheid' achter onze gewone werkelijkheid. Zo zijn we in een klap terug in een onkritische metafysica, van het soort dat Arthur Schopenhauer in de negentiende eeuw aanduidde als Hinterweltlerei.

Komt het door de dope? Drugs figureren, onvermijdelijk, prominent in dit boek, maar op een merkwaardig dubbelzinnige manier. Hellinga schrijft: 'Nu is hashish noch marihuana verslavend, dat is door eindeloos veel onderzoeken uitputtend gedocumenteerd. Niet verslavend wil zeggen dat, op het moment dat de stof aan een regelmatige gebruiker wordt onthouden, deze geen lichamelijke of geestelijke afkickverschijnselen zal vertonen.' Maar even later kruipt hij zelf, ten prooi aan smacht, op handen en voeten over het tapijt in zijn werkkamer, wanhopig op zoek naar kruimeltjes hasj. 'Ik kwam op een punt waarop ik het blowen niet meer onder controle had.' Hoe nu?

Ook de levensbeschouwelijke inzichten die Hellinga door zijn verhaal weeft, komen akelig in de buurt van de platitudes die je als middelbare scholier in de jaren zeventig wel op hasj-feestjes hoorde. 'Freud was kennelijk een angsthaas, anders was hij geen cocaïne gaan gebruiken', noteert de schrijver.

En: 'Het vreemde is dat de dingen gaan zoals ze gaan.' Inderdaad, zoals het ook vreemd is dat de zon opgaat zoals hij opgaat, of dat een boek niet beter geschreven wordt dan het geschreven wordt. Alleen, wat zegt dat over de werkelijkheid?

Het mag arrogant klinken, maar je zou wensen dat Gerben Hellinga zijn talent in iets anders had geïnvesteerd dan in zijn 'magische' avonturen. Waarom niet in het leven buiten de psychedelische claustrofobie van Ruigoord? Hij was er natuurlijk niet mooier op geworden - zomin als Bob Dylan - maar het had hem misschien meer wijsheid opgeleverd.