Het boek der natuur blijft spreken

N. Jardine, J.A. Secord and E.C. Sparty (red.): Cultures of natural history. Cambridge University Press. 501 blz. ƒ77,30 (pbk)

Een jaar of wat geleden bracht ik een week door in een huisje van een collega op Schiermonnikoog. Die collega is behalve archeoloog ook bioloog en dat was aan de inrichting van het huisje te merken: boeken, tijdschriften, wandplaten, schelpen, veren en andere objecten verwezen naar de natuurlijke historie van het eiland. Voortdurend werd ik geconfronteerd met mijn eigen onkunde op dit gebied en in het gastenboek waarin ik na afloop van de week iets noteerde, bekende ik dat ik mij daarvoor wel een beetje schaamde. Maar, zo voegde ik er toch nog aan toe, 'Waarom eigenlijk?'.

De vraag naar de zin van de natuurlijke historie is een vraag die het vakgebied begeleid heeft vanaf het moment dat het een min of meer zelfstandige discipline werd, ergens in het begin van de zestiende eeuw. Sommige beoefenaars van het vak konden het heel kort en krachtig zeggen. Thomas Henry Huxley, een bekend popularisator uit de negentiende eeuw, wist heel goed waarom kennis van de levende natuur zo goed was. Mensen die 's zondags een wandeling door het bos of langs het strand maken en niet weten wat ze zien, zei hij, zijn mensen die een schilderijententoonstelling bezoeken waarop negen van de tien schilderijen met het gezicht naar de muur hangen. Met andere woorden: wie weet wat hij ziet, ziet zoveel meer.

Dat zelfvertrouwen kennen de hedendaagse beoefenaars van de natuurlijke historie niet meer. Er heerst zelfs een crisis in dat vakgebied. Het geld is op en de wetenschap heeft haar interesse verloren. Vroeger vormden de grote verzamelingen - bijvoorbeeld in een Museum voor Natuurlijke Historie - de basis voor de studie van de levende natuur.

Tegenwoordig vindt de wetenschap plaats in de laboratoria; de musea met hun imposante collecties zijn er alleen voor de leken. Voor een wetenschappelijke staf van specialisten op allerlei terrein is geen geld meer. Drie Australische botanici hebben zelfs voorgesteld om de meeste collecties maar weg te gooien en het vrijkomende geld aan nuttiger doeleinden te besteden. Eén museum bijvoorbeeld zou gespaard mogen worden - als herinnering aan een voorbije tijd. Het museum is dus zelf rijp voor het museum.

Tegen dit defaitisme opponeren drie Engelse wetenschapshistorici in een schitterende bundel over de cultuurgeschiedenis van de natuurlijke historie.

Jardine, Secord en Spary brachten zesentwintig niet al te lange essays over de meest uiteenlopende aspecten van de geschiedenis van de natuurlijke historie bij elkaar in de hoop dat historische analyse enige relativering van de huidige crisis teweeg zou kunnen brengen. De diversiteit in de onderwerpen is groot: bijdragen over het emblematische wereldbeeld van de Renaissance, de verzamelwoede van vorsten en hovelingen, de seksualisering van de botanie in de achttiende eeuw, de Duitse Naturphilosophie, de negentiende-eeuwse reislust, de relatie tussen natuurlijke historie en imperialisme en de popularising van de botanie in de negentiende eeuw, het is maar een greep uit de inhoudsopgave. De les die de redacteuren willen trekken is duidelijk: de natuurlijke historie is tot bloei gekomen en heeft zich weten te handhaven - gedeeltelijk door zich te transformeren - in de meest uiteenlopende culturele omgevingen. Dat ontneemt de huidige crisis het absolute karakter dat er anders misschien aan gegeven zou worden. Geschiedenis biedt hoop en op zijn minst troost, moet men gedacht hebben.

Sommige van die bijdragen bieden inderdaad enige hoop. Lynn Nyhart toont aan hoe misleidend de voorstelling is als zou de natuurlijke historie aan het eind van de negentiende eeuw door de opkomst van de nieuwe, experimentele biologie naar de marge van de wetenschap zijn gedrukt. De aanhangers van nieuwe natuurwetenschappelijke specialismen als embryologie en genetica deden het graag voorkomen alsof de ouderwetse natuurlijke historie een aangelegenheid was voor amateurs en museumbeheerders, terwijl zij zelf het museum hadden verruild voor het laboratorium en de taxonomie voor de ontsluiering van de wetten van het leven. Maar de natuurlijke historie was in de negentiende eeuw al lang niet meer uitsluitend taxonomisch van aard; het vak kende al een oude traditie van het bestuderen van de levenscyclus van het levende organisme en dit specialisme werd met kleine aanpassingen opgenomen in de nieuwe, meer natuurwetenschappelijke biologie. Verder kende de natuurlijke historie wel degelijk behalve de beschrijving ook het experiment als methode van onderzoek.

Darwin deed een proef met zaden van verschillende planten die hij in verschillende stadia van uitdroging in zeewater legde om vervolgens te noteren of ze bleven drijven en later konden ontkiemen.

Dit was een belangrijke experiment voor iedereen die iets wilde weten over de manier waarop planten zich kunnen verspreiden. Ook voedde men regelmatig eenden of varkens met bepaalde parasieten, slachtte de gastdieren na één, twee en drie dagen om te kijken hoe de parasieten zich ontwikkeld hadden en waar ze zich bevonden. Dat kon er dan wel eens op uitdraaien dat men niet met dezelfde, maar met verschillende parasieten te maken bleek te hebben - een experimenteel antwoord op een taxonomische vraag. Wat er tegen 1900 gebeurde was kortom niet het vervangen van de natuurlijke historie door de nieuwe biologie, maar de gelijktijdige groei van twee verwante benaderingen die bovendien het werkterrein regelmatig opnieuw verkavelden. Men moet de natuurlijke historie dus niet te vroeg afschrijven.

Historische studie kan echter ook een heel ander effect hebben: in plaats van de betrekkelijkheid van de hedendaagse crisis kan zij ook de tijdgebondenheid van de natuurlijke historie laten zien, inclusief de thans gangbare vorm. De trend wordt wat dat betreft gezet door de bijdrage van William B. Ashworth over de emblematische natuurlijke historie van de Renaissance. In de zestiende eeuw had men een wat andere opvatting over natuurlijke historie dan tegenwoordig. Conrad Gesner, een van de belangrijkste zoölogen van die tijd, nam in het eerste deel van zijn Historia animalum (1551) onder het hoofdje 'Vos' niet alleen de uiterlijke kenmerken en de leefgewoonten van de vos op - alles bijeengebracht uit boeken en niet uit eigen observatie - maar ook alle folklore rondom het dier, de legenden, de symboliek en de spreekwoorden waarin het sluwe beest voorkomt. Een vos was meer dan alleen maar een dier met vier poten en een staart, het was ook een embleem voor zaken van een andere orde, zoals sluwheid en waakzaamheid.

In de opvatting van Gesner was de kennis van de dierensymboliek een volkomen legitiem onderdeel van de natuurlijke historie, waarin de allegorie en andere symbolische associaties net zo goed de definitie van een vos uitmaakten als de uiterlijke vormen. De natuurlijke wereld was voor Gesner namelijk een ingewikkeld weefsel van ogenschijnlijk obscure symbolen en verborgen betekenissen, die plotseling duidelijk konden worden als je de juiste combinatie van gegevens wist te vinden. Doel van de natuurlijke historie was niet zo maar beschrijving en classificatie, maar het blootleggen van deze verborgen draden in het weefsel van de werkelijkheid. En Gesner was bepaald niet de enige die zo dacht. De emblematische benadering van de dierenwereld bereikte een halve eeuw na hem haar hoogtepunt in het werk van de Italiaan Ulisse Aldrovandi, die in 1599 het eerste deel publiceerde van wat uiteindelijk een dertiendelige encyclopedie van de natuurlijke historie zou worden.

Met nog meer voorbeelden en nog meer verfijning dan Gesner bracht Aldrovandi naar voren dat een dier vooral een symbool is, een teken uit een of andere verborgen taal van de natuur. Alleen wie geleerd had te denken in allegorieën, analogieën en adagia kon hopen die taal te verstaan. Niet lang na Aldrovandi's dood was het gedaan met deze benadering. In de loop van de zeventiende eeuw nam de natuurlijke historie een meer vertrouwde vorm aan en wat Linnaeus deed lijkt in niets op wat Aldrovandi deed. We zouden ons dan ook gemakkelijk van de emblematische benadering kunnen afmaken. Het is natuurlijk de vraag of we daar blij mee zouden moeten zijn, want als die ooit zo populaire traditie volkomen verdwenen is, waarom zou dat dan niet kunnen gebeuren met de huidige tradities binnen de bedreigde natuurlijke historie?

Maar het zou ook wel eens niet terecht kunnen zijn om te denken dat de tijd van Gesner en Aldrovandi definitief voorbij is. De gedachte dat de natuur een taal is met een vooralsnog onbekende betekenis heeft langer standgehouden dan men doorgaans denkt - de popularisering van de natuurlijke historie in de negentiende eeuw deed op zijn minst een impliciet beroep op die gedachte.

En wellicht leeft zij tot op de dag van vandaag. Is de blijvende populariteit van de natuurlijke historie, althans buiten de musea en de collegebanken, niet ten dele te verklaren uit het feit dat bij velen het amper bewuste vermoeden leeft dat de natuur niet zomaar is wat ze is, maar op een of andere wijze toch een taal is die naar iets anders verwijst? Van Jac. P. Thijsse werd gezegd dat hij de Nederlanders weer leerde lezen in het boek der natuur. Zou dat alleen maar beeldspraak zijn?