Het belang van de middeleeuwen; De lange adem van Aristoteles

Edward Grant: The Foundations of Modern Science in the Middle Ages.

Their religious, institutional, and intellectual contexts, Cambridge University Press, 285 blz. ƒ48,95 (pbk)

De opkomst van de natuurwetenschappen en van wetenschappelijk denken is vermoedelijk de meest ingrijpende intellectuele en culturele ontwikkeling geweest in de geschiedenis van de mensheid. De geboorte van de moderne wetenschap wordt algemeen gesitueerd in de zeventiende eeuw, in een periode die wordt aangeduid als de 'Wetenschappelijke Revolutie'. Die term werd in het leven geroepen door Alexandre Koyré (1892-1964), een Rus die zich in Parijs had gevestigd en aldaar filosofie en wetenschapsgeschiedenis doceerde. Na de Tweede Wereldoorlog was hij ook regelmatig werkzaam in de VS. Koyré introduceerde het begrip 'Wetenschappelijke Revolutie' om te benadrukken dat de opkomst van de natuurwetenschap het resultaat was van een intellectuele ommekeer die zijn gelijke niet kende en een breuk betekende met eerdere pogingen om vat te krijgen op de raadselen van de natuur. Andere wetenschapshistorici hebben juist gemeend dat de Wetenschappelijke Revolutie niet meer was dan een voortzetting van ontwikkelingen die al veel eerder in gang waren gezet. Een zeer handzame en heldere gids door de jungle van literatuur over aard en oorzaken van de Wetenschappelijke Revolutie biedt The Scientific Revolution. A Historiographical Inquiry van Floris Cohen uit 1994.

Onder de pioniers van het onderzoek naar de voorgeschiedenis van de moderne natuurwetenschap neemt de Fransman Pierre Duhem (1861-1916) een bijzondere plaats in. Tegen het vooroordeel van zijn tijdgenoten in beweerde hij dat de middeleeuwen wel degelijk van belang waren geweest voor de opkomst van de moderne wetenschap. Sterker nog, alle ontwikkelingen die men in zijn tijd associeerde met moderne natuurwetenschap waren reeds geanticipeerd door veertiende-eeuwse denkers aan de universiteit van Parijs, zoals Jean Buridan, Nicole Oresme en Albert van Saksen. Hiermee verplaatste Duhem het ontstaan van het moderne denken van de zeventiende eeuw naar de veertiende eeuw. Hij kwam tot zijn visie dankzij jarenlange studie van middeleeuwse tractaten in de Bibliothèque Nationale in Parijs. De grote verdienste van Duhem is geweest dat hij met zijn meerdelige studies, waarvan Le système du monde het bekendste is, het fundament heeft gelegd voor de bestudering van middeleeuwse literatuurwetenschappen als een serieuze discipline. Tegenwoordig hangt echter geen enkele wetenschapshistoricus zijn visie meer aan.

Tegen deze achtergrond is het verschijnen van The Medieval Foundations of Modern Science in the Middle Ages des te opmerkelijker. Auteur is de vooraanstaande Amerikaanse wetenschapshistoricus Edward Grant, die aan het einde van de jaren vijftig nog een jaar studeerde bij 'onze eigen'

Dijksterhuis in Utrecht. Ook Grant is van mening dat de middeleeuwse natuurwetenschap inhoudelijk nauwelijks heeft bijgedragen aan de opkomst van de moderne wetenschap. In zeven hoofdstukken geeft hij een helder en leesbaar overzicht van de middeleeuwse natuurfilosofie en natuurwetenschap voor niet-specialisten. Aldus is de lezer toegerust voor hoofdstuk acht, waarin Grant uitlegt waarom de grondslagen van de Wetenschappelijke Revolutie in de middeleeuwen liggen.

Grants these komt voort uit een veel bredere invalshoek dan tot nu toe werd gekozen. Hij is niet langer geïnteresseerd in het type onderzoek waarbij wordt vastgesteld of middeleeuwse denkers een specifieke invloed hebben gehad op deze of gene wetenschappelijke theorie. In plaats daarvan dient men een veel ruimere vraag te stellen, namelijk of de Wetenschappelijke Revolutie had kunnen plaatsvinden zonder de middeleeuwen. Deze nieuwe probleemstelling is ingegeven door twee onomstreden feiten. In de eerste plaats zijn alle wetenschapshistorici het erover eens dat in West-Europa in de zeventiende eeuw de Wetenschappelijke Revolutie heeft plaatsgevonden en dat die de opkomst heeft gemarkeerd van de moderne wetenschap. In de tweede plaats heeft deze ontwikkeling zich in geen enkele andere beschaving voltrokken; noch in de Griekse, noch in de Chinese, noch in de Arabische, ofschoon in al deze beschavingen sprake is geweest van wetenschappelijke resultaten en van een traditie van rationeel denken. Waarom heeft de hedendaagse wetenschap zich dan uitsluitend gemanifesteerd in het Westen? Volgens Grant moet het antwoord op deze vraag gezocht worden in drie ontwikkelingen op sociaal-cultureel vlak die in het Westen plaatsvonden tussen 1175 en 1500. Op deze drie middeleeuwse ontwikkelingen is de moderne wetenschap gefundeerd.

De eerste randvoorwaarde voor de Wetenschappelijke Revolutie was de vertaling van Griekse en Arabische geleerdheid in het Latijn aan het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw. Vooral de vertalingen van de fysische en kosmologische werken van Aristoteles, maar ook de vertalingen van Euclides en Ptolemaeus zijn belangrijk geweest voor de opkomst van de moderne wetenschap. Aanvankelijk waren de Latijnse vertalingen van Aristoteles gebaseerd op Arabische vertalingen van diens werken, maar later gingen ze rechtstreeks terug op Griekse originelen. De vertalingen uit het Arabisch gingen vergezeld van Arabische commentaren, van Averroës (Ibn Rushd) en Avicenna (Ibn Sina). Zonder die toevloed van nieuwe kennis, aldus Grant, zou het Westen zijn blijven steken op het bedroevende intellectuele niveau van voor 1200.

De tweede voorwaarde was de vorming van universiteiten vanaf ongeveer 1200, eerst in Parijs, Oxford en Bologna, en van daaruit verspreid over geheel West-Europa tot in Krakau en Praag toe. De autonomie van de middeleeuwse universiteiten was erkend door Staat en Kerk. De artes-faculteit bood het voorbereidende onderwijs dat toegang gaf tot een van de drie andere middeleeuwse faculteiten, de medische, juridische en theologische. Het belangrijkste onderdeel van het lesprogramma aan de artes-faculteit vormde de natuurfilosofische werken van Aristoteles. Dit curriculum bleef gedurende bijna vijfhonderd jaar onveranderd. Deze institutionele inbedding van de natuurfilosofie als een zelfstandige discipline had geen precedent in welke andere beschaving ook.

De derde voorwaarde voor het optreden van de Wetenschappelijke Revolutie was het beroepsprofiel van de theoloog-natuurfilosoof. Iedere universitair geschoolde in de middeleeuwen was tijdens zijn studie indringend in aanraking geweest met logica en natuurfilosofie. Dit gold ook voor de theologen, de intellectuelen onder de middeleeuwse academici. Zij hadden de natuurfilosofie in hun denken geïntegreerd. Er was nauwelijks sprake van oppositie. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de theologen de opleiding, aan de artes-faculteit tolereerden als adequate voorbereiding op hun eigen discipline. Maar de integratie komt nog veel sterker naar voren in de toepassing van inzichten uit de natuurfilosofie bij de behandeling van theologische thema's. Kortom, de natuurfilosofie was een gerespecteerde zelfstandige discipline, een positie die ze bijvoorbeeld niet had in middeleeuwse Islamitische cultuur.

De drie bovengenoemde voorwaarden vormen volgens Grant het middeleeuwse fundament van de moderne wetenschap. Zij bewerkstelligden dat in het Westen, en alleen daar, zich een zelfstandige intellectuele traditie ontwikkelde, los van het geloof, waarin vragen werden gesteld over de werking van de natuur.

Die vragen genereerden vele oplossingen, vooral in de commentaar-traditie op de werken van Aristoteles. De meeste van die oplossingen werden tijdens de Wetenschappelijke Revolutie verworpen, en in die zin is dan ook geen sprake van een doorwerking van middeleeuwse resultaten op wetenschappelijk gebied.

Dit is precies wat bedoeld wordt met het omverwerpen van het Aristotelisme. De vragen die in de Wetenschappelijke Revolutie werden gesteld over het natuurgebeuren, bleven echter dezelfde. Maar zonder die middeleeuwen, aldus Grant, zou er weinig stof tot discussie zijn geweest in de zeventiende eeuw.

Het voorgaande zou de indruk kunnen wekken dat Grant meer gewicht toekent aan socio-culturele factoren, dan aan de interne dynamiek van de wetenschap. Maar in zijn betoog verweeft de auteur ook een aantal paragrafen over inhoudelijke ontwikkelingen binnen de commentaar-traditie op Aristoteles, het literaire genre waarin natuurfilosofen in die tijd hun opvattingen plachten te presenteren. Deze ontwikkelingen droegen bij tot een bepaalde intellectuele houding, de auteur neemt het woord mentaliteit nog net niet in de mond, waardoor de Wetenschappelijke Revolutie ook in dat opzicht kon gedijen in een vruchtbare bodem. De geesteshouding die Grant beschrijft kan hier slechts met enkele trefwoorden worden aangegeven: toepassing van de wiskunde op natuurfilosofische problemen, een notie van de fysische werkelijkheid als een entiteit die haar natuurlijke gang gaat en waarop het wonderbaarlijke geen vat heeft, de ontwikkeling van een wetenschappelijk jargon, en de overtuiging dat verstandelijk redeneren autonoom is.

Grant presenteert zijn visie op het belang van de middeleeuwen voor de opkomst van de wetenschap met verve. Zelfs voor sceptici zal na lezing van het boek duidelijk zijn dat de historische werkelijkheid van de Aristotelische natuurfilosofie veel gecompliceerder en heterogener is dan dan de persiflages van de pioniers zelf van de Wetenschappelijke Revolutie, zoals Descartes en Galilei deden vermoeden. Ten onrechte hebben historici zich laten misleiden door het zeventiende-eeuwse stereotype van de Aristotelici als geleerden die de natuur onderzochten door in hun exemplaar van Aristoteles te bladeren, en die, wanneer ze daarin hun antwoorden niet vonden, dan maar besloten dat het ook niet bestond. Het is precies dankzij het Aristotelisme en de manier waarop dit geïnstitutionaliseerd was aan de universiteiten dat in het Westen een natuurwetenschappelijke traditie heeft kunnen opbloeien.

    • J.M.M.H. Thijssen