'God houdt niet van de Albanezen'

TIRANA, 21 FEBR. Albanië stevent af op een volledige polarisatie. Dat werd gisteren meer dan wat ook gesymboliseerd door de herdenking, op twee verschillende plaatsen, van het omverhalen van het standbeeld van de stalinistische dictator Enver Hoxha, gisteren zes jaar geleden.

Op het Universiteitsplein komen rond drieduizend aanhangers van de regerende Democratische Partij bijeen. De 22-jarige studente Vojsava zegt “uit nieuwsgierigheid” te zijn gekomen. Ze wijst op de bussen die op het plein staan geparkeerd. “Daarmee zijn de mensen aangevoerd. Ik schat dat tachtig procent van de aanwezigen hierheen gestuurd is of betaald wordt om hier te zijn.” Ze kijkt angstig om zich heen. “Het is gevaarlijk om je mening te geven. Ik wil niet in de gevangenis eindigen. Voor je het weet staat de geheime politie aan je deur om je hele familie op te pakken.”

Ze zegt “voor meer dan honderd procent” teleurgesteld te zijn in de regering-Berisha, omdat ze die verantwoordelijk houdt voor het schandaal met de frauduleuze piramidefondsen. “Mijn oma was gisteren bij het Vefa-fonds om haar geld terug te vorderen, maar ze werd door de politie in haar gezicht geslagen. Het enige wat we nog kunnen doen is bidden dat we de Telebingo winnen en kunnen emigreren.” Niet dat ze de oppositie steunt. “Die zijn geen haar beter. Ze doen alleen maar een greep naar de macht.”

Na het volkslied beschuldigt de voorzitter van de afdeling Tirana van de Democratische Partij in klassiek jargon de oppositie van de voorbereiding van “een gewelddadige contra-revolutie”. Dan verschijnt president Sali Berisha op het podium, terwijl de duizenden op het plein onder ritmisch handgeklap zijn naam scanderen. Hij noemt de herdenkingsdag 'de overwinning van de waardigheid'. De omwenteling die een einde maakte aan 45 jaar communistische dictatuur heeft zijn land 'op het pad naar de Europese welvaart' gebracht, zegt hij. Hij besluit zijn gepassioneerde toespraak met een oproep om confrontatie te vermijden. “Lang leve de democratie, lang leve Albanië”, roept hij met overslaande stem, alvorens zich naar een gereedstaande auto te spoeden. “Weg met de communisten”, roepen zijn aanhangers.

Buiten het centrum, op een voetbalveld in een troosteloze buitenwijk, komt later de door de Socialistische Partij gedomineerde oppositie bijeen, verenigd in het Forum voor de Democratie. “Berisha Pinochet” en “Sali is een dief” zijn hier de leuzen. Eén van de vooral uit oudere mannen met petten bestaande demonstranten is de 52-jarige Lutfi Babameto. Zelf heeft hij destijds nog meegeholpen Hoxha van zijn sokkel te rukken, vertelt hij. Maar nu is hij verbitterd. “Deze regering is totaal corrupt. Ze hebben de verkiezingen gemanipuleerd. Hebben we daarvoor zes jaar geleden gevochten?”

De 21-jarige rechtenstudent Altin Lame is te jong om de dictatuur van Hoxha bewust te hebben meegemaakt. “Ik weet niet eens precies hoe hij eruit zag en toch word ik nu voor terrorist uitgemaakt omdat ik de oppositie steun”, zegt hij. “Maar als ik zie dat een leider van een politieke partij wordt mishandeld door een politieman met maar drie jaar lagere school, weet ik genoeg: we leven nog steeds in een dictatuur.”

Niet de val van het stalinistische regime maar het piramidefondsen-schandaal staat centraal op de bijeenkomst. “We zeggen tegen de regering: geef ons het geld terug dat je van ons hebt gestolen”, aldus Kurt Kola van de Vereniging van ex-politieke gevangenen, die onder Hoxha tientallen jaren in de gevangenis zat. Voor de drie slachtoffers van de onlusten in Vlorë, twee weken geleden, nemen de zevenduizend aanwezigen een minuut stilte in acht.

Petrik Kalakula, een dissident van de Democratische Partij die nu een eigen partijtje leidt: “Op dit veld staan de eerlijke Albanezen. Hier zijn geen dieven, geen vagebonden. Die daar op het universiteitsplein betalen met ons geld de politie om ons in elkaar te slaan.” De menigte zet het lied 'Stoere mannen, neem de wapens, dood of levend' in. De schrijver Fatos Lubonja beklemtoont dat “door het falen van deze regering” uitgerekend “op de dag van alle Albanezen” het volk verdeeld is en de voorgenomen herdenkingsplechtigheid op het Skanderbeg-plein verboden werd. “Het Forum voor de Democratie wil dat alle pleinen vrij zijn. We hebben ze met ons eigen bloed verdedigd.”

Na afloop lopen de aanhangers van het Front ondanks het verbod in de richting van het centrum van de stad. Al gauw stuit de stoet op een kordon van de oproerpolitie. Zonder waarschuwing schieten enkele agenten in de lucht. Langs de kant van de weg gaan de verkopers van stopcontacten, koffers en cassettebandjes gewoon door met hun nering, maar het verkeer - fietsen, paard-en-wagens, Mercedessen, oude Chinese vrachtauto's en uitpuilende autobussen - loopt vast. Even staan demonstranten en politie dreigend tegen over elkaar. Er wordt geroepen en gescholden. Dan voert de politie een charge uit. Stenen vliegen over en weer en er wordt geslagen. De politie slaagt erin het Skanderbeg-plein schoon te houden. Vier mensen raken gewond.

Elders in Tirana verdringen honderden mensen zich intussen bij een noodkantoor van de Vefa-holding, het grootste piramidefonds, dat officieel nog steeds niet failliet is, maar wel de tegoeden heeft bevroren en geen rente uitkeert. Vefa-directeur Vehbi Alimuçaj heeft toegezegd de kleine investeerders hun geld terug te geven.

De sfeer is gespannen. Een man die de regering beschuldigt “samen te spannen met Iran en Turkije” wordt door een ander voor “vuile communist” uitgemaakt en bijna ontstaat een handgemeen. Maar iedereen lijkt het over één ding eens: ze voelen zich verraden door de regering en de meesten hebben in geen enkele partij nog vertrouwen.

Drita Alushi staat al een maand lang elke dag voor de deur van Vefa-holding. Haar broers en zijzelf verkochten hun huizen en investeerden de opbrengst in de piramidefondsen, zegt ze. Nu is ze alles kwijt en woont ze met acht volwassenen en twaalf kinderen in een vochtige kelder.

Een andere vrouw investeerde haar partizanen-pensioen, terwijl haar zoon het huis heeft verkocht. Axhem Dane overwoog zich op te hangen. “Alles wat ik bezat, heb ik verloren. Ik ben dakloos, werkloos en machteloos.”

Een oudere vrouw duwt een paar omstanders opzij en roept: “Ik wil alleen maar dit zeggen: God houdt niet van de Albanezen.”