Glimmende wieldoppen als wapenrok

Arjan Kors: 't Is plicht dat ied're jongen, Geschiedenis van de dienstplicht in Nederland. Kwadraat, 175 blz. ƒ34,90

In 1992 kondigde toenmalig minister van defensie Relus ter Beek de afschaffing aan van de dienstplicht, de conscription die Napoleon in 1810 had ingevoerd. De laatste lichting dienstplichtigen zwaaide in augustus 1996 af.

Als bedankje kregen ze een in camouflagekleuren geschilderde walk-man, inclusief een bandje waarop memorabele dienstcommando's waren opgenomen. Einde oefening. Aan de rest van Nederland is het opheffen van een instituut, dat de Nederlandse strijdkrachten bijna twee eeuwen ononderbroken van het benodigde aantal recruten heeft voorzien, praktisch onopgemerkt voorbij gegaan. Slechts een enkele reportage werd er aan gewijd.

En dat is niet alleen merkwaardig, maar ook onterecht. De dienstplicht heeft immers diepe sporen in de maatschappij achtergelaten: honderdduizenden jongelingen zijn gevormd in het leger, 'tot man gemaakt'. En het omgekeerde geldt wellicht ook: de doorsnee van de maatschappij die onder de wapenen werd geroepen, zal diepe voren hebben getrokken in de psyche van de beroepsstrijdkrachten. Het leger moest tienduizenden doorsnee mensen in de rangen zien te integreren die wel op fysieke, maar niet op militaire geschiktheid waren geselecteerd. Bien étonnés de se trouver ensemble, kortom.

't Is plicht dat ied're jongen - de titel verwijst naar een liedje uit het repertoire van de studentenweerbaarheden 'tot Vrijwillige Oefening in den Wapenhandel' - vult een deel van dit hiaat op. Het boek geeft in chronologische volgorde een levendige schets van de dienstplicht in Nederland.

Kors, voormalig bestuurslid van de Algemene Vereniging Nederlandse Militairen (AVNM), heeft een boek gemaakt dat een collage is van dagboekfragmenten, interviews, begrippenlijsten, marsliederen, literaire citaten en geschiedenislessen.

Onder anderen de journalist Hofland (bediener van een filmprojector), de voormalig staatssecretaris Van Houwelingen (officier bij de landmacht) en de conferencier Jekkers (na zes weken van de kazerne geschopt) vertellen over het dragen van de wapenrok. En over de verveling in een leger in vredestijd. Er is één dienstplichtige die namens iedereen spreekt: 'Eerst gingen we eten,dan hadden we appel en vervolgens marcheerden we om een uur of half negen naar de Nude. Nadat we waren aangekomen, gingen we spitten en graven. We hadden een boterham bij ons en om een uur of twaalf aten we die op. Wanneer we het eten op hadden gingen we een beetje rusten in een hooiberg. Elke keer moest de sergeant moeite doen om ons uit de hooiberg te krijgen. Och, we hadden het best gezellig [..] Voor ons gevoel hadden we tijd zat [..] Als we op ons kwartier kwamen, dan had de kok het eten al klaar.' De zandhaas in kwestie groef stellingen tijdens de aanloop van de Tweede Wereldoorlog, maar volgens 't Is plicht dat ied're jongen had dat ook vlak voor de Tiendaagse Veldtocht tegen de 'voze' Belg kunnen zijn opgetekend of kort voor de laatste dienstplichtigen in 1996 de kazernepoort verlieten.

Hoewel de twee eeuwen durende strijd tegen de verveling nooit is gewonnen, kregen dienstplichtigen gaandeweg steeds meer rechten. Recht op het niet hoeven groeten van een meerdere, het recht er als een 'nozem' uit te zien en het recht om je mening te geven. Vooral in de jaren zeventig rommelde het op de kazernes. Wat bleef echter was het 'onrecht', de pech, om te worden opgeroepen. Aanvankelijk was de dienstplicht bijna algemeen, later een regelrechte loterij. Het afschaffen van de dienstplicht is, in dat opzicht, een gunstige zaak. In een ander licht bezien zou het wel eens een ongunstige ontwikkeling kunnen zijn: mogelijk weet over een aantal jaren geen burger meer hoe het leger werkt, en is in het leger de kennis van de burgermaatschappij minimaal.

De werkzaamheden van de dienstplichtige militairen zijn anno 1997 overgenomen door zogeheten BBT-ers, 'beroepsmilitairen bepaalde tijd'. De tv-spotjes die de landmacht uitzendt om genoeg manschappen te kunnen recruteren, suggereren dat deze vrijwilligers uitsluitend in kano's rondpeddelen, van stuwdammen abseilen en met rupsvoertuigen over de heide scheuren. Dit doet de vraag rijzen wie nu dan toch die putjes graven, de wieldoppen glimmend poetsen en de exercitiepleinen aanvegen.