Gedateerde Vijftigers

H.J.A. Hofland & Tom Rooduijn: Dwars door puinstof heen. Grondleggers van de naoorlogse literatuur. Met een documentaire over de Vijftigers op cd. Bas Lubberhuizen, 176 blz. ƒ44,50

Is het van belang om te weten dat Lucebert kleurenblind was, zoals hij in een interview min of meer terloops liet vallen? Ja, dat is zeker van belang. Met die wetenschap kijk je anders naar zijn schilderijen.

Waar wij rood zien, bedoelde hij misschien wel groen, of geel. En wat te denken van gedichten waarin sprake is van rose muiltjes, van violet licht of van een blauwe zomerzon?

Zo is het ook goed om te weten dat Hermans ooit met de gedachte heeft gespeeld om lid te worden van de NSB, zoals hij, iets minder terloops, in een vraaggesprek meedeelde. Hij zag ervan af omdat hij Mussert zo'n middelmatige en belachelijke figuur vond. Met deze informatie in het achterhoofd wordt De donkere kamer van Damokles een nog beklemmender roman. Mogelijk beschreef Hermans er ook zijn eigen levenssituatie in, waarin het verschil tussen goed en fout niet zo groot was.

Het is, derde voorbeeld van een biografisch feit, curieus om te weten dat Gerard (van het) Reve De avonden schreef met pen, inkt en papier dat hij uit winkels stal. En des te curieuzer nu het manuscript voor 160.000 gulden in het bezit is gekomen van het Letterkundig Museum. 'Een bepaalde wet schreef voor, dat ik moest schrijven met gestolen materiaal', zei hij daarover.

De uitspraken van Lucebert, Hermans en Reve zijn alle drie terug te vinden in Dwars door puinstof heen, een interviewbundel samengesteld door H.J.A. Hofland en Tom Rooduijn, waarin zestien naoorlogse schrijvers aan het woord komen. Het zijn meer of minder losse opmerkingen, zoals er in vraaggesprekken nogal veel worden gemaakt. Dat is ook precies het nadeel van het genre. In een enkel interview staan al gauw meer feiten, wijsheden en spitsvondigheden bij elkaar dan iemand kan onthouden. Maar op de korte termijn lijkt het interview erg effectief. In een mum van tijd weet men 'alles' van de schrijver, zonder er ook maar één boek voor te hoeven lezen. Vandaar wellicht dat het zo'n geliefde en veelbeoefende tekstsoort is. Zeker bij schrijvers is het succes haast bij voorbaat verzekerd, omdat zij goed kunnen formuleren en altijd wel wat te vertellen hebben.

Dwars door puinstof heen is dus een leuk boek, propvol behartens

waardige uitspraken van welbespraakte en weldenkende schrijvers. Maar erg goed is het niet.

Hofland en Rooduijn baseerden zich bij de samenstelling ervan vooral op het dertien-delige radioprogramma dat zij in 1992 voor de VPRO maakten en op enkele al eerder gepubliceerde interviews.

Om de levendigheid te bevorderen en een zekere orde te scheppen, verknipten ze de oorspronkelijke gesprekken tot thematisch en chronologisch samenhangende fragmenten, die werden ondergebracht in tien hoofdstukken. Daarin komen dus steeds verschillende schrijvers naast elkaar aan het woord, over de verschijning van De avonden bijvoorbeeld, of over hun beweegredenen, of over de politiek. Bovendien voorzagen ze de bundel van een gemeenschappelijke noemer. De geïnterviewden, die bijna allemaal tussen 1920 en 1930 geboren werden en bewust de oorlog meemaakten, worden grondleggers genoemd, de grondleggers van de naoorlogse literatuur.

En daar beginnen meteen de problemen, want wat is een grondlegger eigenlijk? Het is in dit boek niet veel meer dan synoniem voor schrijver. Waarin grondleggers zich van niet-grondleggers onderscheiden, weten Hofland en Rooduijn in elk geval niet duidelijk te maken. Of, anders gezegd, het blijft duister waarom Vinkenoog, Kousbroek, Karel van het Reve, Fens, Sontrop en Morriën wèl tot de grondleggers gerekend worden, en Kopland, Vroman, Herzberg, Faverey, Burnier en Vasalis niet, om maar eens wat namen te noemen. De indruk wordt gewekt dat een schrijver tussen 1920 en 1930 geboren moet zijn, anders is het grondleggerschap voor hem of haar al bij voorbaat verkeken.

In een tamelijk pretentieuze inleiding proberen Hofland en Rooduijn vergeefs een diepere zin te geven aan hun 'gesproken geschiedenis'. Het is hen er allemaal om begonnen 'de onderbouw van de literatuur' zichtbaar te maken, zeg maar het literaire leven. En daarbij hebben zij duidelijk behoefte aan onomstotelijke mijlpalen. Dat leidt tot algemeenheden van dit type: 'Alle Nederlanders troffen op de ochtend van de tiende mei 1940 een maatschappij aan, radicaal anders dan die waarin ze de avond van de negende naar bed waren gegaan.' Ze signaleren graag breuken, liefst zo radicaal en compleet mogelijk, om hun project scherpere contouren te verlenen.

En dus slaat De avonden in 'als een bom', verlopen de optredens van de Vijftigers 'tumultueus' en is er steeds schandaal. Hoe kan het ook anders met schrijvers die behoren tot de generatie van 'de oorlogsbreuk'.

Al die grote woorden kunnen niet verhelen dat Dwars door puinstof heen niet meer is dan een bundel waarin de geïnterviewden voor de zoveelste keer hun zegje doen over de jaren vijftig en zestig. De suggestie van een nieuwe, gesproken geschiedenis van de naoorlogse literatuur wordt niet waargemaakt; de literatuurgeschiedenis wordt hier nog eens dunnetjes overgedaan. En dus zien we 'de grote drie' weer eens oprijzen. In de poëzie zijn dat Lucebert, Kouwenaar en Campert en in het proza Hermans, Reve en Mulisch. Tegenover de vooruitstrevende, lichtvoetige dichters staan weer eens de sombere, innerlijk gespleten prozaschrijvers, met als montere uitzondering Harry Mulisch, die nog altijd een rotsvast vertrouwen in zichzelf heeft.

De gemiddelde leeftijd van de geïnterviewden is 71,5 jaar en dat is wel te merken. Vooral de Vijftigers kijken verlekkerd terug naar die goeie ouwe tijd, terwijl het heden met een zeker dedain wordt bezien.

Daarin zou, volgens Claus, de 'totale vervlakking' hebben toegeslagen. Fens constateert dat er geen ideeën meer zijn, zodat er ook geen boeken van belang kunnen ontstaan. Alles is eigenlijk achteruitgegaan, als we de grondleggers mogen geloven. De poëzie, de essayistiek, het uitgeversvak, de kritiek: niets is meer wat het ooit was. Armoede is er ook al niet meer. 'Het is natuurlijk prachtig dat iedereen nu te eten en te drinken heeft', zegt Schierbeek. 'Maar uit tevredenheid wordt niet de grootste poëzie of het grootste kunstwerk gemaakt.' Bovendien viel er vroeger veel meer te lachen, voor de dichters althans, die zich hun beginjaren herinneren als één groot feest. 'De slappe lach bestaat niet meer', zegt Campert in alle ernst.

De charme van deze bundel ligt niet in de grote verbanden, maar in de kleine details, nieuwe feiten en terloopse opmerkingen. En in de aandoenlijke, geestige en verrassende uitspraken, los van ieder grondleggerschap. De schele kinderen van Van Schendel, zoals waargenomen door Morriën. De voedselpakketten die Reve naar de bijna verhongerende Kousbroek in Parijs stuurde. De prettig relativerende opmerkingen van Hella Haasse, die als schrijvende moeder geen tijd had om deel te nemen aan de onderbouw van de literatuur.

    • Janet Luis