Elke dag zwaardvis

Secundo bleef erbij dat een brommer een onmisbaar onderdeel was van iedere geslaagde overval. Hij herhaalde het iedere avond, 'geen brommer, geen overval'.

Ze hadden mij opgedragen voor een brommer te zorgen. In de stad waar Secundo vandaan kwam had hij bijna iedere dag wel een overval gepleegd. Altijd met een brommer. 'Als je geen brommer hebt', legde hij uit, 'moet je rennen, en als je veel moet rennen gaan je schoenen snel kapot. Als je schoenen snel kapot gaan, moet je nieuwe schoenen kopen. Schoenen zijn duur, dus dan moet je nog meer overvallen plegen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee,' zei hij, 'geen brommer, geen overval.'

Hij voelde zich niet schuldig of zelfs maar slecht over al die overvallen die hij had gepleegd. Hij legde uit dat in de wijk van de stad waar hij vandaan kwam iedereen overvallen pleegden. Alleen de baby's, de vrouwen en de bejaarden niet. Maar zelfs dat wist je niet zeker. Soms waren er bejaarden die officieel gepensioneerd waren, maar stiekem toch doorgingen met het plegen van overvallen. Of vrouwen die in plaats van een fatsoenlijk beroep te kiezen ook overvallen gingen plegen. 'Ik had een buurmeisje', zei Secundo, 'zij woonde samen met haar grootouders van vaders kant en haar grootvader van moeders kant,haar ouders, haar vier broers, haar twee zussen, een oom met zijn familie en zestien kippen. Zij leverde eieren aan de hele straat. Zij was een hele mooie vrouw. Zij had iedere rijke man kunnen behagen. Soms kwamen de rijke mannen zelfs in hun auto's en reden door onze straat om haar te bekijken. En wat denk je wat ze deed? Wat denk je wat ze deed?' Ik schudde mijn hoofd.

'Ze ging overvallen plegen, ze wilde geen rijke mannen behagen. De hele buurt sprak er schande van. Niemand wilde meer met haar praten. Wat denk je wat er gebeurde? Ze is met haar brommer onder een bus gekomen. Dat heb je ervan.'

Hij spoog op de grond om zijn minachting kenbaar te maken. Ik wist niet of het minachting was voor het lot in het algemeen of voor de vrouw op de brommer.

'Waarom wil een mooie jonge vrouw geen rijke mannen behagen? Haar hele familie rekende op haar.'

'Het in een raadsel', zei ik, 'Secundo, het is een raadsel, het zal wel nooit worden opgelost.'

Secundo legde een hand op mijn schouder. 'God heeft ons allemaal geschapen, ook de gekken.'

'Ja', zei ik, 'dat is zo.'

'En nu Secundo', zei ik, 'nu pleeg je helemaal geen overvallen meer, mis je het niet?'

'Hoe kan ik overvallen plegen en afwassen', zei hij. 'Toen ik overvallen pleegde was ik soms dagen van huis, en ik had soms een maand lang geen nieuwe onderbroek en ik had wonden die als het slecht weer was gingen etteren. Maar ik was een mens en de vrouwen uit de buurt hielden van me. De mannen hadden ontzag voor me en de kinderen waren bang voor me. En nu, nu heb ik allemaal onderbroeken en geen wonden meer die etteren, maar ik ben een afwasser. Wie heeft er ontzag voor een afwasser? Daarom moet jij een brommer voor me regelen.'

Ik beloofde opnieuw dat ik mijn best zou doen. Hij wilde weten of ik in mijn land ook wel eens een overval had gepleegd. lk zei heel eerlijk dat ik nog nooit een overval had gepleegd. Dat ik zelfs nog nooit een brommer had bestuurd. Ik had alleen een keertje bij iemand achterop gezeten, toen ik vijftien was. Dat was niet echt een prettige ervaring geweest. Secundo stelde mij gerust. Niemand kon zo goed brommers besturen als hij.

Behalve ik zouden aan de overval meedoen: Manuel, de schoonmaker, Valentina, de dochter van de eigenaar en Secundo dus, de afwasser.

Soms, als ik om vier uur The Eccobelli Brothers binnenkwam om aan mijn avonddienst te beginnen en Secundo met uitgestrekte armen op me afkwam, me omhelsde en vervolgens in mijn oor fluisterde, 'de brommer, is de brommer er al?' had ik het gevoel in een gekkenhuis te zijn beland. Maar dat gevoel had ik al vanaf mijn vierde. Misschien voelde ik me daarom wel zo thuis in The Eccobelli Brothers.

Zo nu en dan was er een opleving, maar over het algemeen was de grote leegloop begonnen. Alsof dat allemaal niet genoeg was kregen we op een avond bezoek van de gezondheidsdienst die de hygiëne ging inspecteren. Ze vonden ongedierte in de rijst. De eigenaar moest ze vijfhonderd dollar betalen en toen was er geen ongedierte meer in de rijst. We liepen op onze tenen door de keuken. We konden ook geen basilicumblaadjes recyclen, want de jongens van de gezondheidsdienst zaten overal bovenop. Brood afstoffen, ging ook niet. Als je brood maar goed afstoft, gaat het wel twee avonden mee. De meeste mensen vinden het gewoon prettig een mandje brood op hun tafel te hebben staan, ze eten er toch niet van.

Valentina, die op een kistje achterin de keuken de boekhouding deed, zei, 'ik had nooit gedacht dat ik ooit nog eens een overval zou plegen, maar ik geloof dat we geen andere keus hebben. Wat moet mijn vader doen zonder The Eecobelli Brothers?'

'En de anderen', zei ik, 'wat moet Secundo doen? En Manuel? Wie neemt een schoonmaker in dienst die bijna blind is?'

'Is Manuel bijna blind?'

'Dat is wat hij mij heeft verteld. Hij maakt schoon op zijn gevoel. Hij ziet praktisch niets.'

De eigenaar ging onverminderd door met het oproepen van geesten. Avond aan avond zaten we aan de grote ronde tafel, met een glas in het midden, en we praatten tegen de geesten alsof het onze buren waren.

Op zo'n avond fluisterde Secundo in mijn oor: 'Morgen gaan we het benzinestation bekijken. Waarschuw jij Valentina, dan waarschuw ik Manuel.'

Ik knikte.

'Ik voel me weer twintig', fluisterde Secundo, 'alleen een brommer ontbreekt aan mij geluk.' (Wordt vervolgd)