Drentelen om een koningskop; Cambodjaanse kunst in Parijs

Uit het depot van het Cambodjaanse Angkor Vat, een eeuwenoud boeddhistisch tempelcomplex, verdwijnen nog steeds sculpturen, ondanks controle door een grote politiemacht. Een grootse tentoonstelling in Parijs laat nu zien hoe begerenswaardig mooi de oude kunst uit Cambodja is. “De gouden eeuwen van Cambodja doen geloven dat elke beweging, elke zinnelijke geste of gelaatsuitdrukking zich in steen liet vastleggen.”

Grand Palais, Parijs, métro Champs Elysées-Clemenceau of Franklin-Roosevelt. T/m 25 mei. Dag. 10-20u, di gesloten; wo. tot 22u. Prijs catalogus ƒ126,-

Het woord 'Khmer' is een synoniem voor 'knekelhuis' geworden. Nergens op de wereld lagen sinds de Tweede Wereldoorlog de schedels en de beenderen zo hoog gestapeld als op nieuwsfoto's uit Cambodja. De Rode Khmers slachtten daar de Khmers af, afstammelingen van het gelijknamige oude cultuurvolk, die nog steeds negentig procent van de bevolking vormen.

Maar in Parijs roept datzelfde woord gelukkig ook andere associaties op dan de moord van het Pol Pot-bewind op meer dan twee miljoen mensen, een vijfde van alle inwoners.

Een koloniaal bewind van negentig jaar moet de Fransen net zo vertrouwd hebben gemaakt met de tropische laaglanden van Cambodja als de Nederlanders met de Indonesische archipel. Waarom zouden anders de zalen van het Grand Palais meteen na de opening van een Khmer-tentoonstelling al lijken op deinende mozaïeken?

Rondom de hoger geplaatste godheden van beige zandsteen ziet het zwart, blauw en bruin van de nieuwsgierigen. Een winterse bedevaart naar vertroosting. Van alle Europese landen is met name in Frankrijk het boeddhisme de laatste jaren zeer aangeslagen. Datzelfde verschijnsel deed zich, mede dankzij enthousiaste reisverslagen uit Zuid-Azië, ook voor in de tweede helft van de vorige eeuw, toen een schrijver-dichter als Alfred de Vigny 'de perfectie van boeddha mooier achtte dan die van het christendom'.

Waarom? 'Omdat zij zo gedesinteresseerd is'. Daarmee doelt hij waarschijnlijk op dat sympathieke gebrek aan drama en fanatisme dat zoveel boeddhistische gestalten eigen is. Ook niet-Fransen als Schopenhauer en Nietzsche zagen er trouwens in die tijd wel iets aantrekkelijks in.

Tienduizenden Fransen beoefenen nu een vorm van boeddhistische meditatie. Twee miljoen landgenoten zouden 'bekeerd' zijn, temeer omdat het individualisme en pragmatisme, het ontbreken van dogma's en morele normen hen zo aanstaat. En zes miljoen anderen voelen zich er sterk toe aangetrokken, zo meldde vorig jaar oktober het Franse weekblad L'Express. Na het katholicisme en de islam staat het boeddhisme, 'de kerk van het nihilisme', nu samen met het protestantisme op de derde plaats van de Franse reli-topvijf.

Die populariteit zal er toe bijdragen dat er nu zo veel mensen afkomen op het meest onthaaste Grand Palais-affiche dat de stad rijk is: een twaalf eeuwen oud hoofd van Jayavarman VII (1181-1218), de laatste grote koning van Cambodja en een expansief en 'universeel monarch', zoals hij wilde heten. Hij stichtte een nieuwe hoofdstad en introduceerde een complexe vorm van het boeddhisme. In zijn opperste staat van onthechtheid kan hij zich meten de vele verbeeldingen van Sakyamuni, Die Ene Echte Boeddha die hem als leidsman in de vierde eeuw voor Christus is voorgegaan.

Geen metrostation of we staan oog in oog met dit toonbeeld van onverstoorbare bezinning. De koning is diep in zichzelf verzonken. En dat hij het naar zijn zin heeft, vertelt de volmaakte vrede op zijn gezicht. Een gezicht als een implosieve extase, waarover alleen de geloken ogen, de volle lippen en krullende mondhoeken vertellen.

Velen drentelen op de tentoonstelling om hem heen, alsof de authenticiteit van het affiche gecontroleerd moet worden, en men kijkt vriendelijk tegen hem op, zoals een vorst van onderdanen kan verwachten. Als een kunstwerk in staat wordt geacht de tijdgeest te weerspiegelen dan moet de regeringsperiode van Jayavarman VII rijk en voorspoedig zijn geweest, evenwichtig en rechtvaardig.

Twaalf eeuwen later is zijn uitstraling niet minder. De toeschouwer die zich innerlijk op 'iets' of 'iemand' durft te verlaten, krijgt bij het zien van zoveel eeuwigheidswaarde even het gevoel in een warm bad te verzinken. Zorgen voor straks heffen zich op, alsof dat ene koningshoofd alle aandacht voor het 'nu' en het 'hier' afdwingt.

Louvre

Het Grand Palais dankt zijn tentoonstelling zowel aan het Nationale Mu seum in Phnom Penh als aan de opknapbeurt waar al lange tijd het Azia tische Musée Guimet in Parijs aan toe was. Beide hebben het mooiste in huis uit de voltooid verleden tijd van Cambodja. Het Louvre wilde eind vorige eeuw niets van dit erfgoed weten. Louis Delaporte, een Franse Lord Elgin die de Cambodjaanse tempelcomplexen kaalplukte om zijn landgenoten met deze cultuur vertrouwd te maken, bood er vergeefs tientallen beelden aan. In 1927 zouden ze van het Musée Indochinois op het Trocadéro voorgoed naar het huidige Musée Guimet verhuizen.

Het sober ingerichte Grand Palais bestrijkt met zijn ruim honderd boeddha's en bodhisattva's, tempelreliëfs en hun wraakzuchtige bewakers, stèles en kleine bronzen nu zo'n duizend jaar geschiedenis van een van de oudste cultuurcentra van Zuid-Oost Azië.

Net als alle nabije landen stond Cambodja in het begin van onze jaartelling sterk onder hindoeïstische en boeddhistische invloeden uit India, zoals ook de sanskriet-inscripties op de zeer vroege stèles en reliëfs bewijzen.

Dat de vaak duizend jaar oude stukken hier in meer of minder ongeschonden staat geëxposeerd kunnen worden is een wonder. Afgezien van de hachelijke transporten die het kwetsbare zandsteen vanuit Phnom Penh moesten doorstaan, lag Cambodja in zijn verre verleden al flink in de clinch met zijn buurlanden, Thailand en Laos.

Het koninkrijk van de Khmer werd in de vijftiende eeuw zelfs volledig overheerst door de Thais. De hoofdstad verplaatste zich van Angkor, nu een met monumentale ruïnes bezaaid gebied van honderd vierkante kilometer, naar het zuidelijke Phnom Penh.

De communistische Rode Khmers, die ruim twintig jaar geleden driftig bezig waren met bloedvergieten, gebruikten de tempels, de hyperbarokke 'kathedralen van het woud', als munitiedepots. De recente, dertien jaar durende burgeroorlog dompelde het land nog verder onder in een totale misère. Films en video's in het museum onthullen hoe tussen de oorlogsbedrijven door menig monument verzwolgen werd door het oerwoud.

Sommige tempels zakten als doodzieke paarden door hun knieën en zonken de grond in. Wat aan stèles en tempelfragmenten gespaard bleef, vindt nu, ondanks controles van een speciale 520-koppige politiemacht, toch nog zijn illegale weg naar handelaren in Europa en Amerika.

Het conserveringsdepot van het pelgrimsoord Angkor Vat, in de dertiende eeuw al, dankzij zijn grootschalige terrassen, galerijen en torens, omschreven als een wereldwonder, is op die manier een derde van zijn 5.000 stukken kwijtgeraakt. Stukken, die variëren van architectonische reliëfs van wulpse danseressen, accanthusbladeren en slangen - bij gebrek aan een context spreken ze op de tentoonstelling minder aan dan de catalogus-foto's van de tempels - tot de meer dan manshoge vertegenwoordigers van het godenpantheon. Zelfs het Metropolitan Museum in New York, aldus het Franse dagblad Libération, moest onlangs een beeld uit zijn collectie terugsturen omdat het voorkwam op de lijst van vermissingen. Met trots meldden de Cambodjaanse autoriteiten nu zes stukken van die lijst te hebben opgespoord.

Als keerzijde van deze binnenlandse 'rampspoed' presenteren de Cambodjaanse koning Norodom Sihanouk en de Franse president Jacques Chirac nu gezamenlijk, in de catalogus althans, dit uitzonderlijke overzicht. Een presentatie die politiek en toeristisch natuurlijk moet nagalmen. Vorig jaar kwamen 60.000 buitenlanders op de Cambodjaanse tempels af en dat aantal zal nu wel toenemen. Intussen werken de Unesco, Frankrijk en Japan verder aan de restauratie van de tempels.

Heupen

Laten we niet denken dat alle beelden in het Grand Palais zo naturalistisch zijn als dat ideale hoofd van koning Jayavarman VII. Je zou hem vandaag nog in een van de 2.800 kloosters van Cambodja tegen het lijf kunnen lopen.

Dat gaat niet op voor alle andere mannelijke en vrouwelijke godheden, die in de twaalfde en dertiende eeuw, de 'gouden eeuwen' van het Khmer-rijk, werden losgebeiteld. Inderdaad, losgebeiteld, want voor de westerling onttrekt deze archaïsche esthetiek zich aan elke chronologie. Menige gestalte lijkt zo oud als de mensheid. En ze suggereren nog steeds dat er maar een paar tikken voor nodig waren om de Siva's, de Varuna's en Visnu's uit hun overtollige steengoed te bevrijden.

De meeste beelden, ook de mannelijke, staan vrouwelijk en geïdealiseerd te zijn: met smalle tailles en ronde heupen, met borsten als bovenaanzichten van sublieme koepels en met onoverwinnelijke schouderpartijen. Over hun altijd jonge dijen plooien zich zonnestralen als doorschijnende omslagdoeken. Je zou bijna vergeten dat ook die transparantie uit het steen is losgemaakt.

De 'gouden eeuwen' van Cambodja doen geloven dat elke beweging, elke zinnelijke geste of gelaatsuitdrukking zich in steen liet vastleggen. De latere beelden vertonen meer distantie. Ze lijken op hun hoede en geven daarom een verstarring te zien die nu eenmaal bij angst hoort.

Eigenlijk kent de cultuurgeschiedenis van Cambodja drie belangrijke perioden: de Pre-Angkor-tijd (0-achtste eeuw) de Angkor-tijd (negende tot vijftiende eeuw) en de post-Angkor-periode die omstreeks 1431 begint als Angkor wordt verlaten. De namen voor typische sculpturale stijlen zijn binnen die fases ontleend aan steden, provincies of tempelcomplexen. Namen, die hier wel bijdehand staan, maar verder weinig bijdragen aan de emotionele ervaring van een tentoonstellingsbezoek. De toeschouwer zoekt nu eenmaal naar datgene wat hem het meest nabijkomt.

Dat is bijvoorbeeld de 'Venus van Milo' uit Phnom Penh. Hoofd en armen zijn verloren gegaan, maar het sensuele lijf van deze vrouw, als ware het vanzelf uit een stenen golf tevoorschijn gekomen, doet meteen begrijpen waarom de anonieme beeldhouwers eeuwen geleden al met Michelan gelo werden vergeleken. Deze godin der ideale verhoudingen, zwoel, een beetje schuin in de heupen, het linker been behoedzaam geknikt, was ongetwijfeld bereid om aan vele verzoeken gehoor te geven, maar niet zonder afstand te doen van haar betoverende souvereiniteit.

Dat kunsthandelaren graag jacht maken op deze sculpturen begrijpt men nog beter bij het zien van twee atletische strijders. Alleen hun gehavende, elkaar omstrengelende torso's zijn overgebleven. Ze hebben een aaibare huid van zandsteen, bijna 'softe' bovenarmen en oksels, die met een beetje goede wil nog lijken te transpireren ook. Wat van hen aan samengebalde krachtmeting overbleef, doet de rest van de lijven nauwelijks missen.

Voorbij de vitrines met bronzen sculpturen, voorbij de vereenzaamde, vijftig hoge en sierlijke hand van godin Siva, laat het Grand Palais de toeschouwer afscheid nemen bij een biddende figuur in hout. Een zeldzame verschijning, want als er tussen tropisch vocht en insecten iets een kortstondig leven is beschoren, dan is het wel hout. De zestiende-eeuwse man zit er ontspannen geknield bij, de handen recht onder de kin. De symmetrie die zoveel lotgenoten kenmerkt, is losgelaten en jammergenoeg is zijn glimlach in een aanzet blijven steken.

Daarom is het goed om bij de museumuitgang nog even terug te lopen en nog een laatste keer aan dat ene paar koninklijke lippen te hangen. Straks, weer buiten, zal die geruststellende 'sourire d'Anghor' ver te zoeken zijn.