De oogst van onze eeuw; Woodward & Bernstein: All the President's Men, 1974

Bob Woodward & Carl Berstein: All the President's Men. Simon and Schuster, 1974, ƒ37,60 (pbk)

In de Amerikaanse tv-serie The X-Files krijgen FBI-agenten Mulder en Scully, op zoek naar UFO's en andere paranormale verschijnselen, hulp van een geheimzinnige bron, bijgenaamd 'Deep Throat'. Hij duikt op in donkere gangen en parkeergarages en geeft de agenten informatie over sinistere complotten van overheidsinstanties die de waarheid over buitenaards leven voor het publiek verborgen willen houden.

Deep Throat, de manier waarop agent Mulder contact met hem legt, maar ook de sfeer van 'supsense' en samenzwering in deze serie, borduren voort op All the President's Men, het klassieke boek van de twee Washington Post-verslaggevers Woodward en Bernstein over het Watergate-schandaal dat president Richard Nixon in 1974 ten val bracht. De X-Files zijn bijna een pastiche op het boek, met één opmerkelijk verschil: het gaat nu niet meer om een inbraak in het hoofdkwartier van de politieke tegenstander, maar om vliegende schotels, buitenaardse wezens en genetische experimenten van de staat op de burgerij.

Vergeleken met de overheid in The X-Files was Richard Milhous Nixon een brave jongen. In de jaren negentig zweert Washington niet alleen politiek, maar zelfs paranormaal samen tegen de eigen burgers.

All the President's Men - en natuurlijk de filmversie uit 1975 met Robert Redford en Dustin Hoffman - heeft een plek verworven in de Amerikaanse canon van de laat-twintigste eeuw. Twee jonge stadsverslaggevers die de strijd aanbinden met een leugenachtige overheid: het is voor de Amerikaanse psyche een onweerstaanbaar gegeven. Het appelleert aan het vitale individualisme van de Frontier en raakt tevens de open zenuw in de moderne samenleving: een diep wantrouwen jegens de centrale staat.

Het ware verhaal begon met 'een derderangs inbraak', zoals Nixon het noemde. Op 17 juni 1972 werden, 's ochtends vroeg, vijf mannen aangehouden in het hoofdkantoor van de Democratische Partij, gevestigd in het Watergate-complex te Washington. In weerwil van de latere mythevorming dat de omvang van het verhaal - een politieke inbraak in een presidentieel verkiezingsjaar - aan de aandacht ontsnapte, zaten de kranten, het Congres, de FBI, en de Democratische Partij er aanvankelijk bovenop.

Maar uiteindelijk waren het Bob Woodward (29) en Carl Bernstein (28) van The Washington Post die, door stug volhouden, met de meeste scoops kwamen en het verhaal op de voorpagina's hielden. Stap voor stap, met weken vol vergeefse moeite, werkte het duo tips en aanwijzingen uit, tot ze op 29 september 1972 konden melden dat minister van justitie John Mitchell clandestiene acties tegen de Democraten had gefinancierd uit een 'geheim fonds' en, op 10 oktober, dat het Nixon-kamp zelfs een 'massale campagne van politieke spionage en sabotage' had opgezet tegen de electorale opponent.

Nixon werd in november 1972 desondanks met een verpletterende meerderheid herkozen. De meeste kiezers vonden de economie, de oorlog in Vietnam, en het geweld op straat nu eenmaal belangrijker thema's. Dat veranderde toen de Watergate-sneeuwbal in 1973 steeds sneller begon te rollen. De onthulling dat Nixon alle gesprekken in zijn Oval Office op de band had vastgelegd en de daaropvolgende juridische strijd om de 'Nixon-tapes', waaruit bleek dat hij de zaak in doofpot had willen stoppen, betekenden het einde. Op 9 augustus 1974, met impeachment in het vooruitzicht, trad hij af.

Woodward en Bernstein groeiden uit tot nationale helden. Hun boek werd een internationale bestseller. Voor Woodward werd dat succes het startsein van een schrijverscarrière, met geruchtmakende boeken over het Hooggerechtshof, de CIA en de Golfoorlog. Bernstein ging het minder voor de wind. Hij danste zijn fortuin weg in de nachtclubs van New York en krabbelde pas de laatste jaren weer overeind, met een novelle over zijn communistische ouders en een journalistieke biografie van paus Johannes Paulus II.

Kort na Nixons aftreden hielden critici van Woodward en Bernstein zich wijselijk gedeisd, maar de afgelopen jaren zijn pogingen gedaan het werk van 'Woodstein' te debunken. Kritiek is er op hun gebruik van anonieme bronnen (met als belangrijkste 'Deep Throat', wiens identiteit nog altijd geheim is), op hun listen en bedrog om aan informatie te komen en op de romantisering waaraan ze zich schuldig zouden hebben gemaakt in hun boek. Ze zouden daarmee hebben bijgedragen aan de opkomst van 'faction' en 'infotainment', een trend die juist Bernstein de laatste jaren zelf fel bestrijdt.

Die kritiek is, zo niet grotesk, dan toch op zijn minst misplaatst: de Watergate-verslaggeving van The Washington Post was een zeldzame combinatie van journalistieke passie en ambachtelijkheid. Dat er gebreken kleven aan het werk van Woodward en Bernstein, zoals aan alle journalistiek, maakt het nog niet direct tot een voorloper van Oprah Winfrey. Revisionistische Watergate-speurders die het werk van Woodstein dunnetjes overdoen, verzanden bovendien doorgaans in labyrintische complot-theorieën die even onbegrijpelijk als lachwekkend zijn.

Wel springen in de ondergang van Nixon, na een kwart eeuw, ook de potsierlijke en zelfs meelijwekkende kanten beter in het oog. Bijvoorbeeld dat het bij de 'massale sabotage-campagne' in 1972 behalve om de Watergate-inbraak ook ging om 'kwajongensstreken' als het heimelijk bestellen door het Nixon-kamp van een paar honderd pizza's voor een Democratische bijeenkomst. En Howard Hunt en Gordon Liddy, die voor hun undercover werk werden uitgerust met een pruik en een stemvervormer, lijken achteraf weinig overtuigend als subversieve task force, druk doende om Amerika te transformeren tot een totalitaire staat - zoals destijds door Nixon-haters werd beweerd.

Het verwijt dat Woodward en Bernstein een vermenging van fictie en nonfictie hebben geïntroduceerd in de journalistiek, lijkt overigens minder vergezocht bij hun tweede boek, The Final Days, over de laatste dagen van Nixons presidentschap. Daarin doen ze wat ze in All the presidents men nog meden: zonder bronvermeldingen monologues intérieurs van personen weergeven en situaties beschrijven waarvan ze onmogelijk uit de eerste hand weet konden hebben.

Nu is een neiging tot romantisering zeker Bernstein, de stilist van de twee, niet vreemd. Dat hun eerste boek een thriller-vorm kreeg (Woodward had eerder gedacht aan een minder persoonlijke reconstructie van Watergate) was echter mede te danken aan Robert Redford, die de verslaggevers al tijdens Watergate benaderde met het idee 'the most devastating political detective story of the century' te verfilmen. Niet Woodward en Bernstein, maar hun alter ego's op celluloid Redford en Hoffman sieren dan ook het omslag van de Warner-paperback die sinds 1974 vele herdrukken beleefde.

Ruim twintig jaar later is de fall out van Watergate nog dagelijks merkbaar in de Amerikaanse media. Voor krantenredacties betekende het spektakelstuk vooral een opwaardering van investigative reporting. Kranten ruimden tijd en mankracht in voor diepgravend onderzoek naar corruptie en wantoestanden bij de overheid. Volgens critici mondde die hausse uit in reflexmatig cynisme en discutabele onthullingen, zoals die over het buitenechtelijke liefdesleven van de Democratische presidentskandidaat Gary Hart in 1988. 'Watergate luidde voor de pers het tijdperk in van antagonisme en zelfgenoegzaamheid', schrijft bijvoorbeeld media-criticus Jon Katz in Virtuous Reality (1997). Ook het publiek kreeg al snel genoeg van de generaties verslaggevers die maar één doel voor ogen hadden: Woodward en Bernstein worden, en het liefst zonder al dat benenwerk. 'Watergate zou de journalistiek wel eens meer hebben kunnen beschadigd dan het presidentschap', meent Chicago Tribune-hoofdredacteur Jack Fuller, in zijn boek News Values (1996).

Dat is het slechte en vaak rondgebazuinde nieuws over de Amerikaanse journalistiek na Watergate. Er staan vele voorbeelden tegenover van investigative reporting die zowel terzake is als van publiek belang. Zoals de reportages van het duo Barlett en Steele van The Philadelphia Inquirer over mazen in nieuwe belastingwetgeving, die op instigatie van lobbygroepen werden aangebracht ten behoeve van individuele bedrijven. Het leg work dat Woodward en Bernstein in de jaren zeventig voor hun primeurs deden - lange tochten langs dichtslaande voordeuren - is in die verhalen voor een belangrijk deel vervangen door het uitpluizen van data-bestanden achter de pc. Maar het principe is hetzelfde gebleven: de aanhouder wint.

Intussen is buiten de journalistiek, in de nieuwe paranoïa van de jaren negentig, het 'Watergate-gevoel' aan een come-back bezig, in series als The X-Files en de verfilmde conspiratieve obsessies van Oliver Stone (JFK, Nixon).

Het uitgangspunt van Woodward en Bernstein - get the facts - is daarbij gemakshalve verlaten. In een paranoïde samenleving, waar particuliere milities geloven dat de Verenigde Naties erop uit zijn Amerika te bezetten en extremisten een gebouw van de federale overheid opblazen met kindercrèche en al, doen feiten er ook weinig toe. In dat opzicht is All the Presidents Men een - ouderwets - goed boek.