Christian Dior & Yves Saint Laurent; Verkreukelde modekoningen

Marie-France Pochna: Christian Dior. The man who made the world look new. Arcade, 314 blz. ƒ54,50

Alice Rawsthorn: Yves Saint Laurent. A Biography. Harper Collins, 405 blz. ƒ57,15

Juichende ontvangsten, een schare vrouwelijke bewonderaars, internationaal voorpaginanieuws: Christian Dior (1905-1957) was de eerste couturier met sterrenstatus. Maar hoewel Dior al een getalenteerde pionier was in het bespelen van de massa-media, maakte zijn opvolger Yves Saint Laurent pas optimaal gebruik van het publiciteitscircus van de moderne tijd. Saint Laurent groeide uit tot een superstar. Deze hippy de luxe werd in de jaren zestig en zeventig op handen gedragen door een generatie zelfbewuste jongeren.

Zijn shows brachten fans tot tranen en beroemdheden als Andy Warhol, Catherine Deneuve, Rudolf Noerejev en Danielle Mitterand kleedden zich in YSL.

Maar roem en succes maakten niet gelukkig. De noodzaak twee tot vier keer per jaar te voldoen aan torenhoge verwachtingen en de verlokkingen van het goede leven - wijn en zwaar tafelen - werden in 1957 Diors dood. De 61-jarige Yves Saint Laurent houdt nog steeds vol. Maar zenuwinzinkingen, stress en vele verslavingen hebben zijn lichaam en geest geknakt. Geen benijdenswaardig leven,dat van een topcouturier, zoals het wordt beschreven in de biografieën Yves Saint Laurent van Alice Rawsthorn en Christian Dior, the man who made the world look new, een Engelse vertaling van een biografie door Marie-France Pochna. Het zijn twee in wezen tamelijk treurige portretten van mannen die een halve eeuw modegeschiedenis vertegenwoordigen.

Op 12 februari 1947 beleefde Christian Dior zijn finest hour met de presentatie van de collectie die de geschiedenis in zou gaan als de New Look.

Gedurende een decennium was Dior het gezicht van de Franse haute couture. Na de plotselinge dood van de ontwerper in 1957 heeft het huis nooit meer dezelfde invloed gehad - op de eerste collecties van de jonge Yves Saint Laurent na. Saint Laurent begon zijn loopbaan als assistent van Dior en werd na de dood van le patron als diens opvolger gekatapulteerd. Laurent zou echter slechts kort bij het huis Dior blijven. Hij begon zelf een modehuis dat in de jaren zestig en zeventig dat van zijn voormalige werkgever ver in de schaduw zette.

Inmiddels zijn de rollen weer omgekeerd: de shows van YSL wekken zelden meer grote beroering, de naam Dior is weer helemaal terug. Nu het modehuis de spraakmakende Engelse ontwerper John Galliano heeft aangetrokken, buitelen pers en inkopers over elkaar heen om de nieuwe Dior-collecties te zien.

Madonna gaat in de film Evita uitsluitend gekleed in 'Dior' en in het Metropolitan Museum in New York loopt een overzichtstentoonstelling, met bijbehorende smakelijke catalogus.

Flinke klappen

De vraag is wat de blijvende betekenis is van Diors ontwerpen voor de mode van de twintigste eeuw. Pochna geeft daarop geen antwoord. Zij laat zien dat Dior de eerste Europese couturier was die de Amerikaanse markt exploreerde, en die op grote schaal met licensies begon. Ook was hij belangrijk voor het bewaren van de couture-traditie die na twee wereldoorlogen en een economische crisis flinke klappen had opgelopen. Niet alleen bracht hij extravagante luxe terug, maar ook verdiepte hij zich in technieken die anders wellicht verloren waren gegaan.

Maar The man who made the world look new is hoe dan ook een onhandige titel.

Want als één ding uit deze biografie blijkt, dan is het wel dat de New Look niet nieuw was. Het superelegante zandloper-silhouet sloeg na de donkere oorlogsjaren zo aan omdat het de rijkdom, de romantiek en de levensstijl vertegenwoordigde van een vooroorlogs tijdperk - zelfs van voor de Eerste Wereldoorlog. Ook Dior zelf zag zich als bewaarder van een traditie: 'Wij vinden niets uit, we beginnen altijd bij iets dat al bestaat', zei hij. De onmogelijke tailles en lange rokken zijn een kleine rimpeling gebleken in een twintigste-eeuwse stroming waarin vrouwen zich steeds functioneler, comfortabeler en democratischer zijn gaan kleden. Overigens wekte de New Look indertijd al grote weerstand, wat onder meer blijkt uit het Rue Lepic-incident toen een 'bende huisvrouwen in lompen' een aantal dames gekleed in Dior letterlijk de jurken van het lijf scheurde.

De karakterschets van de ontwerper zelf blijft in Pochna's biografie steken in te vaak herhaalde platitudes: hij was timide, zeer bijgelovig, niet erg ambitieus, een laatbloeier en een groot kind met een levenslange bewondering voor zijn moeder, zijn grote inspiratiebron.

Dit laatste is een frappante overeenkomst met Yves Saint Laurent, die zijn moeder nog altijd bedelft onder kleren en juwelen. Christian Lacroix heeft eens gezegd dat het beste werk van couturiers vaak het werk is in de stijl van de garderobe van hun nog jonge moeders. Dior en Saint Laurent waren beide moeders lievelingen, maar die van Yves was stimulerend en teder, die van Christian streng en ingetogen. Het is geen afdoende verklaring voor een leven in mode, en al helemaal niet voor Diors obsessie met jurken. 'Dresses occupy me, they pre-occupy me ... indeed they post-occupy me', zei hij. Staren naar zijn eigen collectie vervulde hem met een innige dankbaarheid.

Saint Laurent had een ambivalentere houding tegenover zijn scheppingen. In zijn jonge jaren twijfelde hij tussen een carrière als couturier of een als kostuumontwerper voor het theater. Dat laatste leek hem intellectueel uitdagender. Zijn vriend en zakenpartner Bergé noemde Yves zelfs 'een buitengewoon intelligent mens met het beroep van een imbeciel'. Anders dan Pochna over Dior is Rawsthorn - uit haar boek komt dit citaat - niet bang voor harde woorden. Zo benepen als Pochna is over de minnaars van Dior, zo uitvoerig is Rawsthorn over het privéleven van Yves Saint Laurent. Dat kan ook bijna niet anders, want Laurents grote liefde was, en is, het zakelijk brein en de onvermoeibare steun en toeverlaat van de labiele Yves. Zonder Pierre Bergé geen Yves Saint Laurent. De ontmoeting van Bergé en Saint Laurent was een coup de foudre, liefde op het eerste gezicht. Méér dan toegewijd was Bergé in zijn rol van zakelijk partner, minnaar en zorgzame vaderfiguur. Dankzij zijn inspanningen om financiers te vinden was Yves volledig vrij om te ontwerpen. In de jaren zestig groeide hij, met revolutionaire smokings voor vrouwen, de eerste doorkijkblouse en de vrijgevochten safari look, uit tot een subversief symbool, tegen het einde van de jaren zeventig was YSL een 'totem van rijkdom', een abstract imago voor Franse chic en fijne smaak. De miljoenen stroomden binnen, mede dankzij een uitgebreid net van licenties, Yves zelf was intussen verstrikt geraakt in een vicieuze cirkel van depressies en verslavingen.

Oliesjeiks

Rawsthorn beschrijft het enthousiasme van de cliëntele, geeft aan hoe YSL in zijn hoogtijdagen steeds de polsslag van de tijd in zijn collecties wist te vangen en hoe hij met het Rive Gauche-label succesvol pionierde in prêt-à-porter, in een tijd dat vrouwen voor couture geen belangstelling en geld meer hadden. Maar geen woord over de inherente kwaliteit van zijn ontwerpen en zijn ideëen over de betekenis van kledingvormen. Als journalist van The Financial Times moest Rawsthorn wel aandacht hebben voor de (inter)nationale politieke, economische en financiële ontwikkelingen die een miljoenenbedrijf als dat van YSL bepalen. Oliecrises, de Golfoorlog, de opkomst van nieuwe rijken (Arabische oliesjeiks, Zuidamerikaanse drugsbaronnen, Japanse industriëlen) het maakt allemaal deel uit van de historische context waarin de ruim dertigjarige geschiedenis van het modehuis wordt geplaatst. Maar de lange passages met gedetailleerde beschrijvingen van beursgangen, fusies en ten slotte de door Bergé gearrangeerde verkoop van YSL aan het Franse bedrijf Elf-Sanopi zijn verre van boeiend. Geen lunchafspraak blijft onvermeld. Tegen die tijd heeft Bergé in de biografie de hoofdrol van Yves overgenomen.

Yves zelf verschijnt alleen nog op het toneel als een onduidelijk sprekende en starende man, een lichamelijk en geestelijk wrak, die de zeldzame keren dat hij nog in het openbaar verschijnt, amper recht overeind kan blijven staan en wiens collecties soms worden weggehoond.

De vraag is, hoe het zo ver heeft kunnen komen. Hoewel Rawsthorn wel zoekt naar verklaringen - op school gepest, thuis verwend, in dienst weer gepest en ingestort - blijft ze net als Pochna hangen in clichés. Hij is nu eenmaal een hypersensitieve natuur, een groot kind, niet opgewassen tegen de roem. Maar waarom zo depressief, zo ongelukkig, zo eenzaam?

Dat YSL zonder Bergé nooit tot zo'n grote naam had kunnen uitgroeien onderstreept Rawsthorn genoeg. Maar dat Bergé zonder YSL ook nooit de invloedrijke zakenman was geworden die hij was, wordt nergens met zoveel woorden gezegd. Het is de vraag hoezeer zijn toewijding aan Yves werd ingegeven door eigenbelang, en het blijft de vraag hoezeer Saint Laurent daaronder heeft geleden. Wreed is in elk geval dat Bergé de laatste jaren publiekelijk verscheen met een nieuwe jonge lover, die hij bovendien als ontwerper van de bontcollecties voor het huis YSL lanceerde. Keihard is ook zijn uitspraak dat Yves' eenzaamheid zijn eigen schuld is. Hij is nu eenmaal 'een verschrikkelijke egoïst, totaal niet geïnteresseerd in andere mensen'.

Heeft Bergé gelijk? Hoeveel je ook te weten komt over de levensloop van Dior en Yves Saint-Laurent, ze blijven raadsels.

    • Edith Schoots