Bolkestein heeft nog last van de reflexen van de Koude Oorlog

Machtspolitiek is eigen aan Rusland. Peter Volten is van oordeel dat velen in het Westen er ten onrechte van uitgaan, dat het karakter van het Russisch buitenlands beleid wordt bepaald door de manier waarop het Westen zich opstelt.

Het is begrijpelijk (en onvermijdelijk) dat veertig jaar Koude Oorlog zijn sporen nalaat in het denken over veiligheid, maar dat feit draagt niet bij tot verheldering van de discussie over de nieuwe orde in het post-communistische Europa.

Ook in het debat over de uitbreiding van de NAVO treft men redeneringen aan die sterk doen denken aan het grotendeels voorspelbare gedrag van Oost en West zoals dat gedurende de Koude Oorlog min of meer werd bepaald door een actie-reactiepatroon, bijvoorbeeld in het geval van de invoering van een nieuw wapensysteem of steun aan een mensenrechtenbeweging in Oost-Europa.

Zo wordt de Nederlandse regering door Bolkestein en anderen voorgehouden dat uitbreiding van de NAVO tot een ongewenste, zo niet gevaarlijke reactie van Rusland zal leiden. Die eenvoudige redenering gaat evenwel voorbij aan belangrijke vragen die vóór 1989 nog niet aan de orde waren, maar die wel in 1997 voorop dienen te staan in een 'intellectuele exercitie', zoals Bolkesteins collegae zijn interventie karakteriseerden. Daarbij wil ik met name wijzen op de wezenijke rol van de binnenlandse politiek, juist in Rusland, en op de veranderde en veranderende aard van de NAVO.

Veel sterker dan voorheen is de buitenlandse politiek een afgeleide van binnenlands-politieke overwegingen en omstandigheden. Het primaat van de internationale (Oost-West)-veiligheidspolitiek van de Koude Oorlog is vervangen door een 'renationalisatie' van buitenlands- en veiligheidsbeleid.

Zo werd Clintons toespraak in Chicago tijdens de presidentsverkiezingen, waarin hij alvast het jaartal van de uitbreiding van de NAVO meldde, helemaal niet voorafgegaan door bondgenootschappelijk overleg; ze diende vooral binnenlandse doeleinden. Amerikaanse vasthoudendheid in dit opzicht zal zeker niet afnemen nu het buitenlands beleid in handen is van Madeleine Albright, die emotioneel zeer is betrokken bij de regio van haar herkomst.

Renationalisatie alom, op het gebied van defensieplanning, Europese integratie enz., maar ook bij het op zichzelf teruggeworpen Rusland. Reactie op Westers gedrag maakt vanzelfsprekend deel uit van de Russische politiek, maar het is van wezenlijk belang te kijken hoe het land ageert en niet slechts hoe het zal reageren. In het licht van overheersende factoren als geschiedenis, omvang en de door Moskou beoogde status van Rusland, is het gedrag van andere staten of van de NAVO slechts van beperkt belang.

Geopolitiek en machtspolitiek denken en handelen in Moskou worden niet bepaald of zelfs aangemoedigd door een uitbreiding van de NAVO, maar is een diepgeworteld, historisch gegeven. Weinig Nederlanders of Westeuropeanen denken over grondgebied en ruimte in termen van macht. Voor Russen (en voor velen in Oost-Europa) is dat volstrekt anders. Daar klagen de militairen steen en been over het verlies van 'militair-strategische ruimte' van Moedertje Rusland. Het is om die reden dat militaire bases worden afgedwongen in de voormalige Sovjet-republieken, zoals in Georgië, en dat onder het motto van 'vredeshandhaving' door Russische strijdkrachten operaties in het zogenaamd nabije buitenland worden gehouden.

Dit klassieke militaire denken werd ook in het begin van de jaren negentig vertaald in een veiligheidsdoctrine, waarin met instemming van Jeltsin militair-strategische overwegingen het grootste - politieke - gewicht kregen en waarin de inzet van kernwapens door Rusland als eerste partij in een conflict werd aanvaard.

Dit alles gebeurde in een tijd dat er geen sprake was van enig machtspolitiek optreden van het Westen. Integendeel, de VS toonden alle egards voor Russische belangen, met name op nucleair gebied en tegenover Oekraïne, en de politieke en economische hervormingen werden van harte en met aanzienlijke - zij het ontoereikende - financiële hulp door het Westen ondersteund.

De NAVO-bondgenoten reageerden in die jaren terughoudend op het uitdrukkelijke verzoek van Oosteuropese landen snel te mogen toetreden en sloten een compromis in de vorm van 'Partnership for Peace'. Maar zelfs dat werd in 1994 in een machtspolitiek spel door Moskou gebruikt voor het verkrijgen van een vetorecht en, toen dat niet lukte, van ten minste een 'special relationship'.

Het gaat er niet om Rusland af te schilderen als een kwade, nieuwe 'dreiging'. Spookverhalen over het Russische gevaar hoort men gelukkig niet of nauwelijks, ook niet in Oost-Europa. Het gaat er om dat een wezenlijk en diepgeworteld probleem van de Russische buitenlandse politiek niet wordt toegeschreven aan het handelen van andere landen. Wie dat doet, draait de zaak om.

De politieke chaos en het ontbreken van een gestructureerde uitvoerende macht in Rusland versterken nog eens de neiging tot nationalisering van het buitenlands beleid en maken een en ander nog moeilijker. Maar op hun beurt moeten de NAVO en haar aspirant-leden zich in geen geval laten meeslepen in de geopolitiek en machtspolititiek getinte benadering van Moskou.

Waarschuwingen voor Moskou zijn overigens wel vaak te horen in Oost-Europa, waar men te lang heeft geleden onder het 'probleem van de Russische buitenlandse politiek' en waar men zich nog altijd te weer moet stellen tegen machtspolitieke oogmerken van Rusland in de onderlinge betrekkingen. Nieuwe lidstaten en aspirant-lidstaten zullen niet nalaten het Westen 'de ware aard' van de Russische politiek voor te houden. Voorts zullen zij, mede als gevolg van de nationalisering van ook hun buitenlands beleid, niet anders kunnen dan aandringen op een zo hecht mogelijke verankering in de NAVO.

Daarmee komen we uit bij het dilemma van het bondgenootschap en bij de confrontatie tussen 'oud' en 'nieuw' denken over de Europese veiligheidsorde. Het lijdt geen twijfel dat de nieuwe lidstaten een zo hard mogelijke veiligheidsgarantie, zoals verwoord in artikel 5 van het NAVO-verdrag, willen. Voor hen moet de NAVO geen spat veranderen en dient de aard van een collectieve verdedigingsorganisatie te worden gehandhaafd.

De NAVO heeft evenwel geen militair-strategische redenen van enige betekenis voor uitbreiding en zal elke verwijzing daarnaar - moeten - vermijden, wil ze inderdaad een 'bijzondere verhouding' met Rusland mogelijk maken en niet in de valkuil van vertrouwde, geopolitieke en machtspolitieke 'verleidingen' trappen.

Voor de nieuwe lidstaten houdt dat in, dat er zo min mogelijk gesproken moet worden over de 'hardheid' van artikel 5. Het zou ratificatie van de uitbreiding slechts bemoeilijken. Voor de NAVO betekent het een verandering van haar karakter, een verschuiving van een primair militaire, collectieve verdedigingsorganisatie in de richting van een primair politieke, coöperatieve veiligheidsorganisatie.

Dat lijkt ook de betekenis van de uitlatingen van Albright tijdens haar eerste optreden in de NAVO-raad eerder deze week over samenwerking met de Russen bij “belangrijke militaire opdrachten” en over een “gezamenlijke NAVO-Rusland brigade”. Nog belangrijker dan zulke militaire samenwerking is de geopperde instelling van een gezamenlijke raad om de militair-strategische steekspelletjes te vervangen door een politiek-strategische dialoog met het Westen over een reeks van (niet-militaire) beleidsterreinen. Die uitdaging betreft niet zozeer de NAVO als organisatie, maar vooral de afzonderlijke lidstaten die ook handelen in het kader van andere organisaties als EU, OVSE en IMF. Een dergelijk inzicht zal zich niet in eerste instantie bij de NAVO zelf voordoen, maar zal moeten worden gedragen door de afzonderlijke lidstaten.

Een debat over NAVO-uitbreiding, ook in Nederland, zou voor zo'n beleid een draagvlak moeten creëren en daardoor verwarring met Koude-Oorlogdenken verdringen. De waarschuwende woorden van Bolkestein cum suis zijn terecht, maar hun analyse berust te veel op het actie-reactiepatroon tussen de antagonistische staten en militaire bondgenootschappen van weleer.